LEJK-LEPOVO Symposium 2027
Kind in beeld: toetsen en volgen van jonge kind tot VO
Woensdag 3 februari 2027: ons volgende symposium over de doorgaande ontwikkellijnen voor het jonge kind en bij de overgang naar het vo.
Ditmaal is gekozen voor de titel ‘Kind in beeld: toetsen en volgen van jonge kind tot VO’.
Het Landelijk Expertisecentrum Jonge Kind en het Landelijk Expertisecentrum PO-VO organiseren op woensdag 3 februari 2027 een symposium bij Domstad, Utrecht. Lees ons programma en bestel jouw ticket(s). Korting voor MBO-, HBO- en universitair studenten en promovendi.
Welkom vanaf 13.00 uur
Start programma: 13.30 uur
Key note door Cathy van Tijl en Henderien Steenbeek
Kennisdeelsessies, ronde 1 (14.30-15.30 uur)
Kennisdeelsessies, ronde 2 (16.00-17.00 uur)
Afsluitend drankje
17.30 uur einde symposium
Programma
De opening is in handen van lectoren Cathy van Tuijl en Henderien Steenbeek,
‘Zicht op ontwikkeling: het nut van volgen en toetsen van kleutergroep tot en met VO’.
Volgen en toetsen van leerlingen zijn belangrijk in de schoolloopbaan van leerlingen. Ze zijn van grote invloed op hun kansen en de toekomst. Er is de laatste tijd veel discussie over het nut en de noodzaak van volgen en toetsen. Zo zijn er kritische geluiden over prestatiedruk en verminderd welbevinden bij leerlingen, over de rol van de doorstroomtoets bij de overgang van primair naar voortgezet onderwijs. Bij jonge kinderen gaat het om de vraag of volgen van de ontwikkeling afvinken is geworden en de vraag voor wie de volgresultaten bedoeld zijn.
Hoe kunnen we, notie nemend van deze kritische geluiden, gezamenlijk werken en professionaliseren op het gebied van volgen en toetsen? Hoe kunnen toets- en observatiegegevens bijdragen aan ontwikkeling en het bevorderen van gelijke kansen, zonder kinderen te reduceren tot scores of labels?
In de keynote gaan we in op do en don’ts bij formatief handelen en summatief volgen en toetsen, het gebruiken van waargenomen leerling- en aanbodkenmerken, en de randvoorwaarden voor kwalitatief goed volgen en toetsen, Ook staan we stil bij veelvoorkomende valkuilen en mythes die in de praktijk een rol spelen.
We breken een lans voor kijken en handelen vanuit de zone van naaste ontwikkeling, en laten zien hoe een brede blik op ontwikkeling kan bijdragen aan kansengelijkheid en professioneel handelen. We geven praktische tips over de vertaling ervan in praktisch handelen in de dagelijkse praktijk.
Na deze opening kun je deelnemen aan diverse kennisdeelsessies van LEJK en LEPOVO.
Kennisdeelsessie Ronde 1 1, 14.30-15.30 uur
-
José Smeets, docentonderzoeker, dr. Inouk Boerma, associate lector Lezen, dr. Annerieke Boland, lector Jonge kind, Hogeschool IPABO.
In de afgelopen jaren is de leesvaardigheid en leesmotivatie van Nederlandse kinderen sterk gedaald. Om dit tij te keren is het cruciaal dat kinderen vanaf de start van de basisschool in een positieve leesspiraal terechtkomen. Literaire gesprekken, gesprekken waarin kinderen hun beleving, gedachten en gevoelens over een verhaal delen, kunnen hier een belangrijke rol bij spelen. In de nieuwe kerndoelen voor taal is het domein literatuur opgenomen. Dat gaat verder dan de vertrouwde begrippen als leesplezier en verhaalbegrip. Onder literaire competentie verstaan we het vermogen om verhalen belevend, interpreterend, beoordelend en met narratief begrip te lezen (Cornelissen, 2016). Hoe vertaal je deze competentie nu naar betekenisvolle gesprekken over boeken met jonge kinderen, zodat hun leesplezier en hun literaire competentie verder groeit? En hoe volg je hun ontwikkeling van literaire competentie? In hoeverre zijn jonge kinderen zich er bijvoorbeeld al bewust van dat de tekst door een schrijver is geschreven en dat die schrijver bepaalde keuzes heeft gemaakt, bijvoorbeeld in vertelstijl, illustraties en perspectief? In deze sessie worden de eerste inzichten en resultaten gedeeld uit een ontwerponderzoek met leerkrachten van groep 1 t/m 3. Het onderzoek leidt tot een handleiding voor literaire gesprekken met jonge kinderen en een handelingsgericht observatie-instrument om inzicht te krijgen in de ontwikkeling van literaire competenties.
Bedoeld voor: o.a. leerkrachten jonge kind (4-7 jaar), KC’s/Ib-ers, taal-/leescoördinatoren
-
Sanne Vreugdenhil, Projectleider Jonge Kind, Stichting BOOR en Louise Chabert, Kleuter leerkracht en Jonge kind specialist OBS de Boog & OBS Dakpark Stichting BOOR
Hoe zorg je ervoor dat doelen richting geven aan je onderwijs, zonder dat ze verworden tot een lange lijst die vooral moet worden afgevinkt? In deze workshop nemen we je mee in onze pilot rondom cruciale doelen voor het jonge kind die we in de gemeente Rotterdam hebben ontwikkeld.
We delen hoe we vanuit de praktijk zijn gestart, welke vragen we onderweg tegenkwamen en welke keuzes we hebben gemaakt om te komen tot meer focus in de veelheid aan doelen. Daarbij gaat het niet alleen om welke doelen cruciaal zijn, maar vooral om wat het werken met cruciale doelen betekent voor het dagelijks handelen van de professional.
Aan de hand van onze eerste ervaringen laten we zien hoe cruciale doelen kunnen helpen om bewuster keuzes te maken in het aanbod, doelgericht te observeren en steeds opnieuw te bepalen wat kinderen nodig hebben. Daarbij verbinden we de kleine cyclus van het dagelijks handelen met de grote cyclus van analyseren, evalueren en bijstellen.
We laten het niet alleen bij vertellen. Aan de hand van een herkenbare praktijksituatie ga je kort zelf aan de slag: welke doelen zijn hier cruciaal, wat betekent dat voor jouw handelen en waaraan zie je wat een kind nodig heeft?
De pilot is nog volop in ontwikkeling. We delen daarom zowel onze eerste opbrengsten als onze zoektocht en dilemma’s. Zo onderzoeken we samen hoe we kunnen bewegen van vinken naar vonken: doelgericht en beredeneerd werken aan wat er voor jonge kinderen écht toe doet.Bedoeld voor:
Leerkrachten en pedagogisch professionals jonge kind, intern begeleiders/kwaliteitscoördinatoren, schoolleiders, jonge-kindspecialisten, opleiders en andere professionals die betrokken zijn bij onderwijs aan het jonge kind. -
Dr. Martine van der Pluijm, lector Samenwerken aan een taalrijke omgeving voor jonge kinderen, Kenniscentrum Talentontwikkeling bij Hogeschool Rotterdam.
De thuisomgeving is cruciaal voor de taalontwikkeling van kinderen. Een goede verbinding tussen het leren thuis, in kinderopvang en in scholen ondersteunt de taalontwikkeling van kinderen en bevordert kansengelijkheid. Toch is de verbinding tussen pedagogisch professionals en ouders geen vanzelfsprekendheid.
In deze sessie bespreekt Martine van der Pluijm, lector aan Hogeschool Rotterdam, de bevindingen uit het vierjarige onderzoek dat ze uitvoerde op zoek naar handvatten om de kennisbronnen en taalervaringen van kinderen thuis te leren kennen en in te zetten om hun taalontwikkeling te ondersteunen. Samen met pedagogisch professionals in kinderopvang en basisscholen bouwde ze samenwerkingsrelaties op met ouders volgens de bestaande Thuis in Taal aanpak voor op de groep. Aanvullend werd een thuisaanpak aangeboden. Ruim honderd gezinnen, met diverse achtergronden en thuistalen ook thuis, werden meerdere keren bezocht. Dit resulteerde in een een aanpak die helpt om aan te sluiten bij de routines in gezinnen en samen met ouders het taalleren van hun kinderen te ondersteunen. Dit maatwerk loont. Niet in standaardresultaten maar in kleine, betekenisvolle stappen die de relaties tussen ouders en school versterken en die bijdragen aan stimulerende interacties, waarin kinderen meer gaan praten. Thuis en op school. De duurzaamheid van deze thuisaanpak is nu nog beperkt. In deze sessie gaat Martine graag in gesprek met deelnemers over manieren om de thuisaanpak een vaste plek te geven ter versterking van het taalaanbod in de kinderopvang en het onderwijs.
Bedoeld voor: studenten, leerkrachten, pedagogisch professionals, opleiders die professionals opleiden voor het werken met jonge kinderen
-
Bente van der Brugge: masterstudent Education and Child Studies (Universiteit Leiden)
Nora Steenbergen: curriculumontwikkelaar SLO, onderwijskundige en leraar.Diverse scholen in Nederland experimenteren met 10-14 onderwijs, junior colleges en andere vormen van onderwijs waarin de traditionele grens tussen primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (vo) vervaagt. Op de diverse initiatieven hebben zich al heel wat mooie ontwikkelingen voorgedaan. De collegae van deze initiatieven kunnen dan ook als geen ander aangeven wat waardevol blijkt en welke worstelingen zij zijn tegenkomen. Het vraagstuk van ons onderzoek richt zich op wat deze ervaringen betekenen voor de pabo’s en tweedegraads lerarenopleidingen? Om hierop een antwoord te krijgen zijn zes initiatieven bezocht en zijn interviews gehouden met leraren met een pabo-opleiding, leraren met een tweedegraads lerarenopleiding en schoolleiders. De resultaten hiervan plus goede praktijkvoorbeelden presenteren we in deze interactieve sessie. We gaan in op de kennis, vaardigheden en professionele houding die leraren nodig hebben om in deze onderwijscontext te werken, de kansen en uitdagingen voor het opleiden over de grenzen van po en vo heen en de implicaties hiervan voor pabo's en tweedegraads lerarenopleidingen. We zullen hierin ook een tool aanbieden die kan worden ingezet bij het bewerkstelligen en of versterken van een doorgaande lijn po en vo.
Bedoeld voor: Lerarenopleidingen tweedegraads, pabo, curriculumbepalers -
Prof. Dr. Eddie Denessen – Radboud Universiteit en Dr. Linda van den Bergh – Fontys Eindhoven
Met de introductie van brede brugklassen proberen scholen de vroege selectie van leerlingen op basis van het basisschooladvies met één, twee of soms zelfs drie jaar uit te stellen. Het uitgangspunt is dat leerlingen meer tijd krijgen om zich te ontwikkelen voordat zij worden geplaatst in één onderwijsniveau. Tegelijkertijd betekent het samenbrengen van leerlingen met verschillende onderwijsadviezen niet dat niveauverschillen verdwijnen. Ook binnen brede brugklassen kunnen leerlingen signalen ontvangen over niveau, bijvoorbeeld via differentiatie in groeperingsvormen, lesstof of toetsing. Binnen het onderzoek Van Breder naar Beter noemen we dit niveaubewustzijn: de mate waarin leerlingen niveausignalen ervaren in de onderwijskundige inrichting van de brede brugklas.
Tijdens deze sessie verkennen we wat niveaubewustzijn inhoudt, hoe het zich kan uiten in de dagelijkse onderwijspraktijk en de keuzes die scholen binnen het onderzoek hierin maken. Daarnaast delen we de eerste voorlopige resultaten omtrent niveaubewustzijn uit het onderzoek. Tot slot worden deelnemers uitgenodigd om te reflecteren op hun eigen onderwijscontext en met elkaar in gesprek te gaan over de rol van niveaubewustzijn binnen hun school.
Bedoeld voor: docenten en schoolleiders in het vo, beleidsmakers, onderwijsadviseurs en onderzoekers die geïnteresseerd zijn in brede brugklassen, differentiatie en kansengelijkheid.
Kennisdeelsessie Ronde 2, 16.00-17.00 uur
-
Mariëlle Rijsmus met twee primoren, Kernteamlid landelijke stichting Primoraten, Programmacoördinator lectoraat samenwerken aan een taalrijke omgeving voor jonge kinderen en projectleider visie jonge kind, Hogeschool Rotterdam
Hoe zorg je ervoor dat onderzoek niet naast de onderwijspraktijk staat, maar er middenin plaatsvindt? Een primoraat biedt leraren de mogelijkheid om vanuit hun eigen praktijk onderzoek te doen naar vraagstukken die relevant zijn voor hun school en het onderwijs. Primoren krijgen hiervoor tijd, begeleiding en ruimte om zich gedurende langere tijd te verdiepen in een onderzoeksvraag en hun kennis te delen met anderen.Tijdens deze sessie nemen we je mee in wat een primoraat inhoudt en in de landelijke beweging die rondom primoraten is ontstaan. Steeds meer scholen, besturen en kennisinstellingen zoeken naar manieren om leraren een structurele rol te geven in praktijkgericht onderzoek en om de verbinding tussen onderzoek, professionele ontwikkeling en onderwijspraktijk te versterken. We staan stil bij de ontwikkeling van primoraten, de uitgangspunten ervan en de kansen die deze vorm van onderzoek biedt.
Maar vooral komt de praktijk zelf aan het woord. Eén of twee primoren vertellen over hun ervaringen: waarom zij primor zijn geworden, hoe het is om onderzoek naar het jonge kind te doen vanuit hun eigen onderwijspraktijk, wat hun onderzoek naar het jonge kind oplevert en welke kansen en uitdagingen zij onderweg tegenkomen. Zo krijg je zowel zicht op de landelijke ontwikkeling als op wat een primoraat in de dagelijkse praktijk betekent.
Bedoeld voor Leraren, schoolleiders, bestuurders, onderzoekers, opleiders en andere professionals die geïnteresseerd zijn in praktijkgericht onderzoek, professionele ontwikkeling van leraren en de verbinding tussen onderzoek en onderwijspraktijk.
-
Sanne Vreugdenhil, Projectleider Jonge Kind, Stichting BOOR en Louise Chabert, Kleuter leerkracht en Jonge kind specialist OBS de Boog & OBS Dakpark Stichting BOOR
Hoe zorg je ervoor dat doelen richting geven aan je onderwijs, zonder dat ze verworden tot een lange lijst die vooral moet worden afgevinkt? In deze workshop nemen we je mee in onze pilot rondom cruciale doelen voor het jonge kind die we in de gemeente Rotterdam hebben ontwikkeld.
We delen hoe we vanuit de praktijk zijn gestart, welke vragen we onderweg tegenkwamen en welke keuzes we hebben gemaakt om te komen tot meer focus in de veelheid aan doelen. Daarbij gaat het niet alleen om welke doelen cruciaal zijn, maar vooral om wat het werken met cruciale doelen betekent voor het dagelijks handelen van de professional.
Aan de hand van onze eerste ervaringen laten we zien hoe cruciale doelen kunnen helpen om bewuster keuzes te maken in het aanbod, doelgericht te observeren en steeds opnieuw te bepalen wat kinderen nodig hebben. Daarbij verbinden we de kleine cyclus van het dagelijks handelen met de grote cyclus van analyseren, evalueren en bijstellen.
We laten het niet alleen bij vertellen. Aan de hand van een herkenbare praktijksituatie ga je kort zelf aan de slag: welke doelen zijn hier cruciaal, wat betekent dat voor jouw handelen en waaraan zie je wat een kind nodig heeft?
De pilot is nog volop in ontwikkeling. We delen daarom zowel onze eerste opbrengsten als onze zoektocht en dilemma’s. Zo onderzoeken we samen hoe we kunnen bewegen van vinken naar vonken: doelgericht en beredeneerd werken aan wat er voor jonge kinderen écht toe doet.Bedoeld voor:
Leerkrachten en pedagogisch professionals jonge kind, intern begeleiders/kwaliteitscoördinatoren, schoolleiders, jonge-kindspecialisten, opleiders en andere professionals die betrokken zijn bij onderwijs aan het jonge kind. -
Dr. Martine van der Pluijm, lector Samenwerken aan een taalrijke omgeving voor jonge kinderen, Kenniscentrum Talentontwikkeling bij Hogeschool Rotterdam.
De thuisomgeving is cruciaal voor de taalontwikkeling van kinderen. Een goede verbinding tussen het leren thuis, in kinderopvang en in scholen ondersteunt de taalontwikkeling van kinderen en bevordert kansengelijkheid. Toch is de verbinding tussen pedagogisch professionals en ouders geen vanzelfsprekendheid.
In deze sessie bespreekt Martine van der Pluijm, lector aan Hogeschool Rotterdam, de bevindingen uit het vierjarige onderzoek dat ze uitvoerde op zoek naar handvatten om de kennisbronnen en taalervaringen van kinderen thuis te leren kennen en in te zetten om hun taalontwikkeling te ondersteunen. Samen met pedagogisch professionals in kinderopvang en basisscholen bouwde ze samenwerkingsrelaties op met ouders volgens de bestaande Thuis in Taal aanpak voor op de groep. Aanvullend werd een thuisaanpak aangeboden. Ruim honderd gezinnen, met diverse achtergronden en thuistalen ook thuis, werden meerdere keren bezocht. Dit resulteerde in een een aanpak die helpt om aan te sluiten bij de routines in gezinnen en samen met ouders het taalleren van hun kinderen te ondersteunen. Dit maatwerk loont. Niet in standaardresultaten maar in kleine, betekenisvolle stappen die de relaties tussen ouders en school versterken en die bijdragen aan stimulerende interacties, waarin kinderen meer gaan praten. Thuis en op school. De duurzaamheid van deze thuisaanpak is nu nog beperkt. In deze sessie gaat Martine graag in gesprek met deelnemers over manieren om de thuisaanpak een vaste plek te geven ter versterking van het taalaanbod in de kinderopvang en het onderwijs.
Bedoeld voor: studenten, leerkrachten, pedagogisch professionals, opleiders die professionals opleiden voor het werken met jonge kinderen
-
Inge Zomer, MSc, promovendus, Hanzehogeschool Groningen
De overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs is een belangrijke periode in het leven van leerlingen. Onderzoek laat zien dat hun welbevinden in deze fase wordt beïnvloed door een breed samenspel van factoren, waaronder sociale relaties, ondersteuning door leraren, de fysieke en sociale schoolomgeving en de wijze waarop scholen begeleiding en ondersteuning organiseren. Deze factoren hangen met elkaar samen en vormen gezamenlijk de context waarin leerlingen hun nieuwe schoolleven vormgeven.
Om scholen te ondersteunen bij het creëren van een positieve start voor leerlingen, is het onderzoeksproject SSINinVO gestart. Dit project richt zich op het identificeren van factoren die bijdragen aan het welbevinden van leerlingen na de overgang naar het voortgezet onderwijs en op het vertalen van deze kennis naar een praktisch instrument voor zelfevaluatie op scholen.
In deze presentatie staat de ontwikkeling van de SSINinVO-scan centraal: een zelfevaluatie-instrument waarmee scholen reflecteren op de voorwaarden die zij creëren voor het welbevinden van startende leerlingen. We presenteren de wetenschappelijke onderbouwing van de scan, de keuzes die zijn gemaakt tijdens het ontwikkelproces en de resultaten van de eerste formatieve evaluatie van het prototype. Daarnaast bespreken we de geplande pilotfase en de verdere doorontwikkeling van de scan in samenwerking met scholen. Wij nodigen deelnemers uit om kritisch mee te denken over de inhoud, bruikbaarheid en implementatiemogelijkheden van de scan. De opgehaalde inzichten worden benut bij de verdere verfijning van het instrument.
Bedoeld voor: professionals in het VO (o.a. schooldirecteuren, teamleiders, mentoren, tweedegraads docenten, zorgprofessionals, PO-VO-coördinatoren, lerarenopleiders tweedegraads, studenten).
-
Drs. Nora Steenbergen-Penterman curriculumontwikkelaar hoogbegaafdheid, onderwijskundige en leraar, SLO
Nieuwe kerndoelen vragen niet alleen om inhoudelijke keuzes, maar ook om ruimte, professionalisering en samenwerking. Maar waar begin je? In deze workshop krijg je inzicht in wat er komt kijken bij curriculumontwikkeling. We gaan in op de nieuwe kerndoelen voor de negen leergebieden Nederlands, rekenen en wiskunde, burgerschap, digitale geletterdheid, sport 7 bewegen, kunst & cultuur, mens & maatschappij, mens & natuur en moderne vreemde talen. Je maakt kennis met diverse uitwerkingen van de kerndoelen, zoals voorbeeldactiviteiten en leerlijnen. We staan stil bij wat er anders is ten op zichte van de vorige kerndoelen, waar accenten liggen en waar samenhang zit. Ook gaan we aan de slag met ‘ontwikkelkaarten’, ‘teamgidsen’ en het 'curriculaire spinnenweb’ en je ervaart hoe deze tools kunnen helpen bij gesprekken op school over onderwijs dat past bij de populatie van de school. Kortom je gaat actief aan de slag en gaat naar huis met concrete aanknopingspunten om collega’s te inspireren en samen vervolgstappen te zetten om het schoolcurriculum verder te ontwikkelen.
Bedoeld voor: alle deelnemers van deze dag die geïnteresseerd zijn in de ‘nieuwe’ kerndoelen