Factsheet resultaten IELS, 2025

Kleuters in Nederland kunnen minder goed omgaan met cijfers en blijven achter op het gebied van vaardigheden die leren mogelijk maken, blijkt uit internationaal onderzoek in acht landen. Kinderen aan wie vaak werd voorgelezen, laat het onderzoek ook zien, kunnen beter omgaan met taal en cijfers.

Nederlandse kleuters scoren minder dan gemiddeld op belangrijke vaardigheden die nodig zijn om te leren. Dat blijkt uit de International Early Learning and Child Well-being Study (IELS), een internationaal vergelijkend onderzoek naar de kennis en vaardigheden van vijfjarigen.

Achtergrond IELS

IELS, ‘International Early Learning and Child Well-being Study’, betreft een internationaal vergelijkend onderzoek van de OECD naar de kennis en vaardigheden van vijfjarigen. Ook worden relevante kind- en omgevingskenmerken in kaart gebracht, zoals de sociaal-economische status van het gezin, de thuistaal en de mate waarin leerlingen op jongere leeftijd gebruik hebben gemaakt van de kinderopvang.

In 2018 werd IELS voor het eerst afgenomen in drie landen. In 2025 is IELS voor de tweede keer uitgevoerd en deden er acht landen mee. Nederland deed in 2025 voor het eerst mee. In totaal hebben ruim 2.800 vijfjarigen van 182 verschillende basisscholen aan het onderzoek deelgenomen.

Naast Nederland deden zeven andere landen of delen van landen mee: twee steden in Azerbeidzjan, drie provincies in Brazilië, Engeland, Vlaanderen, Korea, Malta en de Verenigde Arabische Emiraten.

Resultaten IELS

In onderstaande figuur worden de resultaten voor de Nederlandse 5-jarigen weergegeven (rode bolletjes), afgezet tegen de uitkomsten van die van de andere deelnemende landen.

Figuur: In IELS zijn drie hoofddomeinen in beeld gebracht: fundamenteel leren, executieve functies, en sociaal-emotionele ontwikkeling (2025).

Binnen elk wordt naar verschillende aspecten gekeken. Bij ‘fundamenteel leren’ gaat het om beginnende geletterdheid en beginnende gecijferdheid, vaardigheden die belangrijk zijn voor de taal- en rekenontwikkeling. Bij ‘executieve functies’ zijn inhibitie, werkgeheugen en mentale flexibiliteit in kaart gebracht, vaardigheden die leerlingen nodig hebben om hun eigen gedrag en leren te kunnen sturen. ‘Sociaal-emotionele ontwikkeling’ ziet op vijf aspecten te weten: emotionele identificatie en emotionele attributie (samen empathie), vertrouwen (het vermogen om vertrouwensrelaties op te bouwen), non-disruptief gedrag (vermogen om het eigen gedrag zo te reguleren dat anderen niet gestoord worden in hun functioneren) en prosociaal gedrag (vertonen van gedrag dat het welzijn van anderen bevordert).

Nederlandse vijfjarigen scoren op meerdere kernvaardigheden onder gemiddeld

Nederlandse vijfjarigen behalen een score gelijk aan het internationaal gemiddelde voor beginnende geletterdheid, maar scoren onder het internationaal gemiddelde voor beginnende gecijferdheid en verschillende executieve functies en sociaal-emotionele competenties. De score voor vertrouwen ligt boven het internationaal gemiddelde. Het onderzoek geeft beperkt inzicht in wat de oorzaken zijn van deze resultaten.

Verschillen tussen leerlingen zijn klein, maar ook relatief weinig hoge scores bij vijfjarigen in Nederland

De spreiding tussen de 10% laagst en 10% hoogst scorende leerlingen is in Nederland relatief klein. De verschillen tussen leerlingen in andere landen zijn groter. Ook is positief dat de 10% laagst scorende leerlingen in Nederland, gemiddeld hoger scoren, dan de laagst scorende leerlingen in andere landen. Daar staat tegenover dat relatief weinig Nederlandse vijfjaren echt hoge scores behalen. De 10% hoogst scorende vijfjarigen uit Nederland scoren meestal lager dan de hoogst scorende leerlingen in andere landen.

Thuistaal doet ertoe, maar effect kan ook afnemen

Leerlingen die thuis doorgaans Nederlands spreken, behalen een hogere score voor beginnende geletterdheid, beginnende gecijferdheid en werkgeheugen dan leerlingen die thuis doorgaans een andere taal spreken. Het is goed mogelijk dat deze verschillen afnemen, wanneer deze leerlingen thuis een sterke taalbasis hebben ontwikkeld in hun eigen thuistaal of thuistalen. Dat vraagt dan wel om een sterke ‘thuisleeromgeving’ met veel ruimte voor talige interacties.

Voorlezen en opvang helpen leerlingen in het ontwikkelen van hun vaardigheden

Regelmatig voorlezen speelt een duidelijke positieve rol. Vijfjarigen die minimaal vijf keer per week worden voorgelezen, laten sterkere vaardigheden zien in geletterdheid, gecijferdheid én emotieherkenning, dan kinderen die minder vaak worden voorgelezen. Bij activiteiten met digitale devices is dat effect er niet of werkt dit juist negatief. Devices worden door leerlingen uit Nederland veelal gebruikt om een film of serie te kijken.

Leerlingen die op driejarige leeftijd naar de opvang gingen, laten sterkere vaardigheden zien in geletterdheid, gecijferdheid en inhibitie dan leerlingen die nooit naar de opvang gingen. Dit voordeel is er vooral wanneer leerlingen niet overmatig gebruik hebben gemaakt van de opvang.

Vervolgstappen

Op 12 mei wordt het Nederlandse rapport over de Nederlandse resultaten gepubliceerd op de website van het consortium dat het onderzoek in Nederland heeft uitgevoerd (IELS – International Early Learning and Child Well-being Study | Expertisecentrum Nederlands). Op deze dag wordt tevens een symposium op OCW over IELS georganiseerd voor wetenschappers, mensen uit de praktijk, en beleidsmakers om in gesprek te gaan over de resultaten en wat die betekenen voor OCW, voor bestuurders en schoolleiders en voor ouders.

Het rapport wordt in juni met de Kamerbrief over het Masterplan Basisvaardigheden naar de Kamer gestuurd. De belangrijkste hoofdboodschap is dat het leren in groep 1 start en daarom in alle opzichten net zo serieus genomen moet worden als in hogere groepen. Jonge kinderen goed begeleiden in hun leren en ontwikkeling vraagt bovendien specifieke kennis en expertise. In de conceptbrief worden de volgende vervolgstappen genoemd:

“De komende tijd richten we ons daarom op versterking van de kwaliteit van de kleuterperiode door aandacht te vragen voor drie zaken: 1) versterking van een evidence-informed didactiek voor spelend en doelgericht leren in de onderbouw;
2) de verdere professionalisering van leerkrachten op het gebied van het jonge kind; en
3) het faciliteren van kinderenopvang, scholen en gemeenten bij het realiseren van een doorgaande ontwikkellijn van kinderopvang/ vve naar kleuteronderwijs en doorstroom naar groep 3. Dat doen we onder meer door straks peuter-kleutergroepen via een experimenteerbesluit mogelijk te maken.”

Verder lezen: in het NRC

Of IELS bij de OECD / Het IELS-rapport over Nederland bij de OECD (PDF)

Next
Next

Advies Kinderopvangraad: Kansen benutten – De betekenis van de buitenschoolse opvang voor kind, ouder en samenleving