Promotie rond ongelijkheid in het onderwijs
Nina Hosseini, postdoctoraal onderzoeker bij het lectoraat Kansengelijkheid en lerarenopleider Kritisch Burgerschap en Social Justice, onderzocht hoe pabo-studenten denken over de oorzaken van ongelijke kansen van leerlingen. Ze pleit er in haar promotieonderzoek voor in de opleiding meer aandacht te besteden aan de rol die leerkrachten hierbij kunnen spelen. Haar artikel verscheen in Didactief.
Nina Hosseini onderzocht hoe pabo-studenten denken over de oorzaken van ongelijke kansen van leerlingen. Ze pleit ervoor in de opleiding meer aandacht te besteden aan de rol die leerkrachten hierbij kunnen spelen.
Nina Hosseini is postdoctoraal onderzoeker bij het lectoraat Kansengelijkheid en lerarenopleider Kritisch Burgerschap en Social Justice. Ze verdedigde woensdag 24 juni 2026 haar proefschrift in een openbare bijeenkomst in de aula van de Universiteit van Amsterdam.
Lees meer bij Didactief: https://didactiefonline.nl/artikelen/pabo-studenten-kansenongelijkheid-individueel-probleem-2
Rapport Onderwijsraad over benutten van meertaligheid
Talige diversiteit kan beter worden benut in het onderwijs. Thuistalen van leerlingen zijn een hulpbron bij het leren van en in het Nederlands. Daarnaast bereidt aandacht voor verschillende (streek)talen op school alle leerlingen voor op het functioneren in een meertalige samenleving.
Pedagogisch medewerkers, leraren en docenten hoeven daarvoor de andere talen niet zelf te beheersen. Met de juiste materialen, expertise en ondersteuning kunnen ze thuistalen inzetten in het onderwijs. Het gaat dan bijvoorbeeld om expertise over het leren van een tweede of volgende taal en kennis van pedagogisch-didactische aanpakken of technologie om talige diversiteit te benutten in de klas.
Bijna alle scholen, mbo-opleidingen en voorzieningen voor voorschoolse educatie in Nederland hebben te maken met kinderen of jongeren die van huis uit een andere taal spreken dan Nederlands. De Onderwijsraad adviseert deze talige diversiteit beter te benutten. Andere thuistalen kunnen leerlingen helpen bij het leren van en in het Nederlands. De raad beveelt scholen aan keuzes te maken in hoe zij thuistalen benutten en doet een beroep op schoolleiders en overheid om te investeren in de ondersteuning, opleiding en verdere professionalisering van leraren.
Met de nieuwe conceptkerndoelen en -examenprogramma’s is de aandacht voor meertaligheid en de thuistaal van leerlingen binnenkort niet langer vrijblijvend voor scholen.
Advies: benut talige diversiteit
Talige diversiteit kan beter worden benut in het onderwijs. Thuistalen van leerlingen zijn een hulpbron bij het leren van en in het Nederlands. Daarnaast bereidt aandacht voor verschillende (streek)talen op school alle leerlingen voor op het functioneren in een meertalige samenleving.
Pedagogisch medewerkers, leraren en docenten hoeven daarvoor de andere talen niet zelf te beheersen. Met de juiste materialen, expertise en ondersteuning kunnen ze thuistalen inzetten in het onderwijs. Het gaat dan bijvoorbeeld om expertise over het leren van een tweede of volgende taal en kennis van pedagogisch-didactische aanpakken of technologie om talige diversiteit te benutten in de klas.
Scholen zijn verplicht om een taalbeleidsplan op te stellen. De raad raadt scholen, mbo-opleidingen en voorzieningen voor voorschoolse educatie sterk aan om keuzes te maken hoe zij talige diversiteit benutten en vast te leggen in het eigen taalbeleidsplan.
De raad doet een beroep op schoolleiders en overheid om leraren beter te ondersteunen bij het benutten van andere thuistalen door te investeren in opleiding en professionalisering van pedagogisch medewerkers en leraren. De raad beveelt aan om ‘benutten van talige diversiteit’ op te nemen in de bekwaamheidseisen en te zorgen voor een centraal expertiseplatform, materialen, technologische hulpmiddelen en handreikingen. Ook zijn er nascholingsmogelijkheden nodig voor leraren en pedagogisch medewerkers die deze kennis en vaardigheden niet meekregen vanuit hun initiële opleiding.
GOAB Handreiking over de Doorgaande Lijn van Voor- naar Vroegschool
De handreiking ‘De doorgaande lijn van voor- naar vroegschool | Samenwerken in het belang van kind en ouders’ is een uitgave van het GOAB-Ondersteuningstraject voor gemeenten en aanbieders van Voorschoolse Educatie uitgevoerd door Oberon, Sardes, de CED-Groep en de brancheorganisaties SWN, BMK en BK in opdracht van het ministerie van OCW.
De handreiking ‘De doorgaande lijn van voor- naar vroegschool | Samenwerken in het belang van kind en ouders’ is een uitgave van het GOAB-Ondersteuningstraject voor gemeenten en aanbieders van Voorschoolse Educatie uitgevoerd door Oberon, Sardes, de CED-Groep en de brancheorganisaties SWN, BMK en BK in opdracht van het ministerie van OCW.
Handleiding ‘Verbinden met kinderen en ouders thuis’ voor Jonge Kind-professionals
Het lectoraat van de Hogeschool Rotterdam ‘Samenwerken aan een taalrijke omgeving voor jonge kinderen’ heeft de ‘Handleiding Verbinden met kinderen en ouders thuis. Het waarom, hoe en wat voor maatwerk en interactie’ gemaakt, met praktische handvatten om daarmee aan de slag te gaan.
Het lectoraat van de Hogeschool Rotterdam ‘Samenwerken aan een taalrijke omgeving voor jonge kinderen’ realiseert samen met de praktijk en opleidingen betekenisvolle veranderingen, die bijdragen aan de taalontwikkeling van jonge kinderen en meer kansengelijkheid. Dat gebeurt steeds in de driehoek tussen praktijk, opleidingen en onderzoek.
Zo heeft het lectoraat de ‘Handleiding Verbinden met kinderen en ouders thuis. Het waarom, hoe en wat voor maatwerk en interactie’ gemaakt. Vier jaar Maatwerk-onderzoek laat zien hoe pedagogisch professionals de verbinding kunnen maken met de taalomgeving thuis, om samen met ouders te werken aan een taalrijke omgeving. In deze handleiding vind je praktische handvatten om daarmee aan de slag te gaan. Je kunt hiermee een aanpak uitwerken die werkt voor jouw groep en waarvan je verwacht dat die werkt voor jou als professional.
Martine van der Pluijm, lector van de HR, licht de Handleiding toe in een webinar, opgenomen in april 2026. Bekijk het webinar:
Inspectie: Samenhang in gemeentelijk beleid voor jonge kinderen kan sterker
Gemeenten hebben een belangrijke rol bij het vergroten van gelijke kansen voor jonge kinderen. Zij voeren beleid voor onderwijsachterstanden (OAB), voor- en vroegschoolse educatie (vve) en kinderopvang. De Inspectie van het Onderwijs onderzocht hoe gemeenten deze beleidsterreinen met elkaar verbinden in hun beleidsdocumenten.
Gemeenten hebben een belangrijke rol bij het vergroten van gelijke kansen voor jonge kinderen. Zij voeren beleid voor onderwijsachterstanden (OAB), voor- en vroegschoolse educatie (vve) en kinderopvang. De Inspectie van het Onderwijs onderzocht hoe gemeenten deze beleidsterreinen met elkaar verbinden in hun beleidsdocumenten.
Factsheet resultaten IELS, 2025
Nederlandse kleuters scoren minder dan gemiddeld op belangrijke vaardigheden die nodig zijn om te leren. Dat blijkt uit de International Early Learning and Child Well-being Study (IELS), een internationaal vergelijkend onderzoek naar de kennis en vaardigheden van vijfjarigen.
Naar aanleiding van het verschijnen van het IELS-rapport, schreef het NRC hier een artikel over. Wij gebruikten dit artikel en het verschenen factsheet voor onderstaand bericht:
Kleuters in Nederland kunnen minder goed omgaan met cijfers en blijven achter op het gebied van vaardigheden die leren mogelijk maken, blijkt uit internationaal onderzoek in acht landen. Kinderen aan wie vaak werd voorgelezen, laat het onderzoek ook zien, kunnen beter omgaan met taal en cijfers.
Nederlandse kleuters scoren minder dan gemiddeld op belangrijke vaardigheden die nodig zijn om te leren. Dat blijkt uit de International Early Learning and Child Well-being Study (IELS), een internationaal vergelijkend onderzoek naar de kennis en vaardigheden van vijfjarigen.
Achtergrond IELS
IELS, ‘International Early Learning and Child Well-being Study’, betreft een internationaal vergelijkend onderzoek van de OECD naar de kennis en vaardigheden van vijfjarigen. Ook worden relevante kind- en omgevingskenmerken in kaart gebracht, zoals de sociaal-economische status van het gezin, de thuistaal en de mate waarin leerlingen op jongere leeftijd gebruik hebben gemaakt van de kinderopvang.
In 2018 werd IELS voor het eerst afgenomen in drie landen. In 2025 is IELS voor de tweede keer uitgevoerd en deden er acht landen mee. Nederland deed in 2025 voor het eerst mee. In totaal hebben ruim 2.800 vijfjarigen van 182 verschillende basisscholen aan het onderzoek deelgenomen.
Naast Nederland deden zeven andere landen of delen van landen mee: twee steden in Azerbeidzjan, drie provincies in Brazilië, Engeland, Vlaanderen, Korea, Malta en de Verenigde Arabische Emiraten.
Resultaten IELS
In onderstaande figuur worden de resultaten voor de Nederlandse 5-jarigen weergegeven (rode bolletjes), afgezet tegen de uitkomsten van die van de andere deelnemende landen.
Figuur: In IELS zijn drie hoofddomeinen in beeld gebracht: fundamenteel leren, executieve functies, en sociaal-emotionele ontwikkeling (2025).
Binnen elk wordt naar verschillende aspecten gekeken. Bij ‘fundamenteel leren’ gaat het om beginnende geletterdheid en beginnende gecijferdheid, vaardigheden die belangrijk zijn voor de taal- en rekenontwikkeling. Bij ‘executieve functies’ zijn inhibitie, werkgeheugen en mentale flexibiliteit in kaart gebracht, vaardigheden die leerlingen nodig hebben om hun eigen gedrag en leren te kunnen sturen. ‘Sociaal-emotionele ontwikkeling’ ziet op vijf aspecten te weten: emotionele identificatie en emotionele attributie (samen empathie), vertrouwen (het vermogen om vertrouwensrelaties op te bouwen), non-disruptief gedrag (vermogen om het eigen gedrag zo te reguleren dat anderen niet gestoord worden in hun functioneren) en prosociaal gedrag (vertonen van gedrag dat het welzijn van anderen bevordert).
Nederlandse vijfjarigen scoren op meerdere kernvaardigheden onder gemiddeld
Nederlandse vijfjarigen behalen een score gelijk aan het internationaal gemiddelde voor beginnende geletterdheid, maar scoren onder het internationaal gemiddelde voor beginnende gecijferdheid en verschillende executieve functies en sociaal-emotionele competenties. De score voor vertrouwen ligt boven het internationaal gemiddelde. Het onderzoek geeft beperkt inzicht in wat de oorzaken zijn van deze resultaten.
Verschillen tussen leerlingen zijn klein, maar ook relatief weinig hoge scores bij vijfjarigen in Nederland
De spreiding tussen de 10% laagst en 10% hoogst scorende leerlingen is in Nederland relatief klein. De verschillen tussen leerlingen in andere landen zijn groter. Ook is positief dat de 10% laagst scorende leerlingen in Nederland, gemiddeld hoger scoren, dan de laagst scorende leerlingen in andere landen. Daar staat tegenover dat relatief weinig Nederlandse vijfjaren echt hoge scores behalen. De 10% hoogst scorende vijfjarigen uit Nederland scoren meestal lager dan de hoogst scorende leerlingen in andere landen.
Thuistaal doet ertoe, maar effect kan ook afnemen
Leerlingen die thuis doorgaans Nederlands spreken, behalen een hogere score voor beginnende geletterdheid, beginnende gecijferdheid en werkgeheugen dan leerlingen die thuis doorgaans een andere taal spreken. Het is goed mogelijk dat deze verschillen afnemen, wanneer deze leerlingen thuis een sterke taalbasis hebben ontwikkeld in hun eigen thuistaal of thuistalen. Dat vraagt dan wel om een sterke ‘thuisleeromgeving’ met veel ruimte voor talige interacties.
Voorlezen en opvang helpen leerlingen in het ontwikkelen van hun vaardigheden
Regelmatig voorlezen speelt een duidelijke positieve rol. Vijfjarigen die minimaal vijf keer per week worden voorgelezen, laten sterkere vaardigheden zien in geletterdheid, gecijferdheid én emotieherkenning, dan kinderen die minder vaak worden voorgelezen. Bij activiteiten met digitale devices is dat effect er niet of werkt dit juist negatief. Devices worden door leerlingen uit Nederland veelal gebruikt om een film of serie te kijken.
Leerlingen die op driejarige leeftijd naar de opvang gingen, laten sterkere vaardigheden zien in geletterdheid, gecijferdheid en inhibitie dan leerlingen die nooit naar de opvang gingen. Dit voordeel is er vooral wanneer leerlingen niet overmatig gebruik hebben gemaakt van de opvang.
Vervolgstappen
Op 12 mei wordt het Nederlandse rapport over de Nederlandse resultaten gepubliceerd op de website van het consortium dat het onderzoek in Nederland heeft uitgevoerd (IELS – International Early Learning and Child Well-being Study | Expertisecentrum Nederlands). Op deze dag wordt tevens een symposium op OCW over IELS georganiseerd voor wetenschappers, mensen uit de praktijk, en beleidsmakers om in gesprek te gaan over de resultaten en wat die betekenen voor OCW, voor bestuurders en schoolleiders en voor ouders.
Het rapport wordt in juni met de Kamerbrief over het Masterplan Basisvaardigheden naar de Kamer gestuurd. De belangrijkste hoofdboodschap is dat het leren in groep 1 start en daarom in alle opzichten net zo serieus genomen moet worden als in hogere groepen. Jonge kinderen goed begeleiden in hun leren en ontwikkeling vraagt bovendien specifieke kennis en expertise. In de conceptbrief worden de volgende vervolgstappen genoemd:
“De komende tijd richten we ons daarom op versterking van de kwaliteit van de kleuterperiode door aandacht te vragen voor drie zaken: 1) versterking van een evidence-informed didactiek voor spelend en doelgericht leren in de onderbouw;
2) de verdere professionalisering van leerkrachten op het gebied van het jonge kind; en
3) het faciliteren van kinderenopvang, scholen en gemeenten bij het realiseren van een doorgaande ontwikkellijn van kinderopvang/ vve naar kleuteronderwijs en doorstroom naar groep 3. Dat doen we onder meer door straks peuter-kleutergroepen via een experimenteerbesluit mogelijk te maken.”
Of IELS bij de OECD / Het IELS-rapport over Nederland bij de OECD (PDF)
Het IELS is in opdracht van OCW uitgevoerd. Swart, N. M., Derks, I., Nout, S., Segers, E., & Wolbers, M. H. J. (2026). IELS-2025: Inzicht in kernvaardigheden van vijfjarigen uit Nederland - Expertisecentrum Nederlands.
Advies Kinderopvangraad: Kansen benutten – De betekenis van de buitenschoolse opvang voor kind, ouder en samenleving
De buitenschoolse opvang (bso) kan meer betekenen voor kinderen, ouders en de samenleving dan nu het geval is. In een nieuw advies pleit de Kinderopvangraad voor een bso die meer en meer uitgroeit tot een plek waar kinderen zich breed kunnen ontwikkelen. In het advies onderzoekt de Kinderopvangraad wat daarvoor nodig is. Drie voorwaarden staan centraal: hoge kwaliteit, stevige samenwerking met onderwijs en toegankelijkheid voor alle kinderen.
Maak van de bso nog meer een plek van betekenis
De buitenschoolse opvang (bso) kan meer betekenen voor kinderen, ouders en de samenleving dan nu het geval is. In een nieuw advies pleit de Kinderopvangraad voor een bso die meer en meer uitgroeit tot een plek waar kinderen zich breed kunnen ontwikkelen.
In het advies onderzoekt de Kinderopvangraad wat daarvoor nodig is. Drie voorwaarden staan centraal: hoge kwaliteit, stevige samenwerking met onderwijs en toegankelijkheid voor alle kinderen.
Eerste resultaten onderzoek samenhang beleid rond onderwijs en kinderopvang
Gemeenten hebben diverse taken en vraagstukken als het gaat om de jeugd. Hoe de beleidsterreinen kinderopvang, onderwijsachterstanden en voor- en vroegschoolse educatie (vve) daarin een plek krijgen, verschilt per gemeente. Om hier meer zicht op te krijgen heeft de Inspectie van het Onderwijs een onderzoek gedaan.
Gemeenten hebben diverse taken en vraagstukken als het gaat om de jeugd. Hoe de beleidsterreinen kinderopvang, onderwijsachterstanden en voor- en vroegschoolse educatie (vve) daarin een plek krijgen, verschilt per gemeente. Om hier meer zicht op te krijgen heeft de Inspectie van het Onderwijs een onderzoek gedaan.
Samen Taalsterk
Hoe geef je taalonderwijs vorm dat recht doet aan de diversiteit van leerlingen én hun wereld vergroot? In Rotterdam-Zuid werken scholen, onderzoekers en lerarenopleiders samen aan een ambitieus onderzoeksprogramma: Staalwerk (Samenwerken aan taalontwikkeling en de preventie van laaggeletterdheid). In januari 2026 verscheen het eerste nummer van het magazine ‘Samen Taalsterk’.
Hoe geef je taalonderwijs vorm dat recht doet aan de diversiteit van leerlingen én hun wereld vergroot? Scholen, onderzoekers en opleiders zoeken samen naar antwoorden. In Rotterdam-Zuid werken scholen, onderzoekers en lerarenopleiders samen aan een ambitieus onderzoeksprogramma: Staalwerk (Samenwerken aan taalontwikkeling en de preventie van laaggeletterdheid). In januari 2026 verscheen het eerste nummer van het magazine ‘Samen Taalsterk’.
Goed onderwijs begint met de juiste vragen. In Rotterdam-Zuid stelden schoolleiders die vraag heel concreet: als we willen dat leerlingen beter presteren, wat betekent dat dan voor ons onderwijs in de klas? Die vraag vormde het startpunt voor bestuurders van wat later de Leerschool Rotterdam-Zuid en Staalwerk werd. Niet beleid of externe interventies stonden centraal, maar de praktijk zelf. Wat hebben leerlingen nodig, en hoe kunnen professionals dat beter organiseren en onderbouwen? Vanaf het begin is gekozen voor een aanpak waarin scholen, onderzoekers en opleiders gelijkwaardig samenwerken. Scholen formuleren mede de onderzoeksvragen, onderzoekers brengen kennis in en ontwikkelen nieuwe inzichten, en opleiders zorgen dat die kennis direct landt in de opleiding van toekomstige leerkrachten. Daarmee ontstaat een doorlopende beweging van onderzoeken, ontwerpen en toepassen. De focus op taalontwikkeling kwam niet toevallig. Juist in de superdiverse context van Rotterdam-Zuid bleek dit de sleutel om ontwikkeling te versnellen. Daarbij kijken we anders naar meertaligheid: niet als obstakel, maar als bron van kennis die benut kan worden in het onderwijs.
Winnicott: Kind, gezin en buitenwereld
D. W. Winnicott behoort tot de meest invloedrijke figuren in de kinderpsychiatrie. In dit baanbrekende werk presenteert hij zijn revolutionaire theorieën over de ontwikkeling van het kind en de manier waarop kinderen geleidelijk loskomen van hun ouders. Hij vertrekt vanuit de fundamentele relatie tussen ouder en kind, die hij beschouwt als de basis voor een gezonde persoonlijkheidsontwikkeling.
Gelezen in NRC: “De inzichten van deze kinderarts over opvoeding zijn nog steeds onmisbaar”
‘Eindelijk is een vertaling verschenen van een van de belangrijkste Britse psychoanalytici. De ideeën van Donald W. Winnicott over de groei en ontwikkeling van kinderen – van zuigelingen tot adolescenten – zijn nog steeds van grote waarde.’ - NRC
Lees de recensie bij NRC (mogelijk betaalmuur)
Of lees verder bij de uitgever
Donald W. Winnicott: Kind, gezin en buitenwereld. (The Child, the Family and the Outside World) Vert. Kasper Demeulemeester. Borgerhoff & Lamberigts, 275 blz.
Leidraad Leerkracht-leerlingrelaties in het primair onderwijs (NKO)
Onderwijskennis van het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) deelt de leidraad ondersteunt leerkrachten en andere professionals in het primair onderwijs bij het opbouwen van positieve relaties met leerlingen.
Onderwijskennis van het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) deelt de leidraad ondersteunt leerkrachten en andere professionals in het primair onderwijs bij het opbouwen van positieve relaties met leerlingen.
Probleemoplossingsinteracties van jonge kinderen. Gesprekken tijdens groepswerk in de onderbouw van de basisschool. Proefschrift
Dr. Frans Hiddink is associate lector en docent op de (academische) pabo van NHL Stenden. In 2019 rondde hij zijn promotieonderzoek bij kleuters af: ‘Probleemoplossingsinteracties van jonge kinderen. Gesprekken tijdens groepswerk in de onderbouw van de basisschool.’
Dr. Frans Hiddink is associate lector Meertaligheid & Geletterdheid en tevens docent op de (academische) pabo van NHL Stenden. In 2019 rondde hij zijn promotieonderzoek bij kleuters af: ‘Early childhood problem-solving interaction. Young children’s discourse during small-group work in primary school.’ (In de samenvatting vertaald naar ‘Probleemoplossingsinteracties van jonge kinderen. Gesprekken tijdens groepswerk in de onderbouw van de basisschool.’)
In dit proefschrift wordt verslag gedaan van een onderzoek naar probleemoplossingsinteracties in groep 1-3 van het Nederlandse basisonderwijs. Binnen dit onderzoek staan de interacties centraal die jonge kinderen onderling of met de leerkracht hebben tijdens groepswerk.
Frans’ publicaties hebben vooral betrekking op profijtelijke manieren waarop (jonge kinderen) in kleine groepjes overleggen en kennis opbouwen en hoe leerkrachten dit optimaal kunnen begeleiden. Op 27 november 2025 gaf hij een heel enthouiaste presentatie bij het Kennisnetwerk van het LEJK en we gaan zeker vaker van Frans horen.
Proefschrift lezen? Ga naar:
Hiddink, F. C. (2019). Early childhood problem-solving interaction: young children’s discourse during small-group work in primary school. [Thesis fully internal (DIV), University of Groningen]. University of Groningen. https://doi.org/10.33612/diss.101127371
Masterplan Basisvaardigheden: webinar
Op de website van Masterplan Basisvaardigheden vind je een online masterclass ‘Spel bij de taalontwikkeling van het jonge kind’ met o.a. lector Annerieke Boland. Bekijk het webinar terug.
Op de website van Masterplan Basisvaardigheden vind je een online masterclass ‘Spel bij de taalontwikkeling van het jonge kind’ met o.a. lector Annerieke Boland. Annerieke vertelt over haar onderzoek en toont een voorbeeld van taal in de klas. Daarbij komt Tineke van der Bent, leerkracht in groep 1 en 2 en ambulant begeleider, aan het woord vanuit de dagelijkse praktijk.
Bekijk hier het webinar terug.
Annerieke verwijst naar de website Taal in Spel.
Eindrapport EVENING Onderzoek
Lees hier de laatste conclusies en het eindrapport van het EVENING-onderzoek, uitgevoerd vanuit de Universiteit Utrecht.
Sinds 2020 heeft de overheid maatregelen getroffen om de kwaliteit van de voorschoolse educatie te verbeteren en het aantal uren hiervan uit te breiden. Het multidisciplinaire onderzoek EVENING evalueert of de beoogde doelen van de hervormingen, namelijk het creëren van meer gelijke kansen, worden bereikt. Resultaten zijn hoopgevend: kinderen laten vooruitgang zien op sociaalemotionele ontwikkeling, taal, executieve functies en motoriek.
Het EVENING onderzoek evalueert twee landelijke beleidsmaatregelen in de voorschoolse educatie:
Sinds 1 augustus 2020 zijn gemeenten verplicht om kinderen met een VVE-indicatie 960 uur voorschoolse educatie te bieden tussen de leeftijd van 2,5 en 4 jaar. In de praktijk komt dit vaak neer op 16 uur per week tijdens de schoolweken. Dit is een toename van 60 procent: voor augustus 2020 was een aanbod van 600 uur (10 uur per week) verplicht.
Sinds 1 januari 2022 geldt een landelijke norm voor de inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers in de voorschoolse educatie. De norm betreft een minimum aantal uren per jaar, dat bepaald wordt door het aantal doelgroeppeuters per kindcentrum te vermenigvuldigen met 10.
Het onderzoeksprogramma deelt een update in september 2025; ‘Uitbreiding voorschoolse educatie succesvol: brede ontwikkelingswinst bij kinderen’. Lees het hele bericht op de website van de Universiteit Utrecht.
De resultaten van het EVENING project tonen aan dat de twee beleidsmaatregelen de ontwikkeling van doelgroeppeuters positief hebben beïnvloed en daarmee de kansengelijkheid hebben vergroot. De bevindingen laten zien dat de uitbreiding van het aantal uren voorschoolse educatie en de versterking van de kwaliteit door inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers effectieve beleidsmaatregelen zijn.
EVENING staat voor Effectstudie Voorschoolse Educatie: een natuurlijk experiment in Nederlandse gemeenten. Het woord ‘evening’ (een vorm van “to even”) verwijst naar het belangrijke doel van voorschoolse educatie: het vergroten van kansengelijkheid. Het onderzoek is in april 2019 gestart en loopt tot en met 2026. Het maakt deel uit van een breed monitorings- en beleidsevaluatieprogramma opgesteld door het ministerie van OCW en wordt uitgevoerd door een multidisciplinair onderzoeksteam van de Universiteit Utrecht en Sardes.
Mijmering - Column KinderopvangKennis.nl
Mijmering: column van Jeannette de Jong, Bestuurder bij Blosse & Bestuurslid Vereniging Netwerk Kindcentra & LEJK
De belangrijkste reden waarom ik mijn werk doe, is het kind. Het kind is de essentie van de toekomst. Het kind is geen project, geen resultaat, geen data-punt. Maar wat doen wij volwassenen? Wij bouwen muren. Muren tussen systemen, tussen mensen.
Jeannette de Jong, Bestuurder bij Blosse & Bestuurslid Vereniging Netwerk Kindcentra & LEJK
Column gepubliceerd bij KinderopvangKennis.nl
De belangrijkste reden waarom ik mijn werk doe, is het kind. Het kind is de essentie van de toekomst. Het kind is geen project, geen resultaat, geen data-punt. Maar wat doen wij volwassenen? Wij bouwen muren. Muren tussen systemen, tussen mensen.
Binnen onze organisatie ‘ontwikkelen’ wij geen kinderen – nee, we inspireren hen om zich breed te ontwikkelen. Breed, à la pedagoog Gert Biesta, op hun eigen tempo, op hún manier. Dat is niet altijd makkelijk. Sterker nog, het is vaak ingewikkeld door hoe ons systeem in elkaar zit. We zitten vast in knellende verknipte structuren en hardnekkige weeffouten. Tegelijkertijd zijn wij zélf het systeem. En niemand anders. Wat doen we niet goed?
We focussen te weinig op de brede ontwikkeling van het kind. De basis. We bouwen verknipte, versplinterde organisaties om het kind heen, in plaats van voor het kind.
We zijn er nog steeds niet voor alle kinderen. Sommige kinderen sluiten we uit. We zijn niet inclusief.
De basis kwijt
De basis is eigenlijk simpel: telkens opnieuw kijken wáár een kind staat in zijn brede ontwikkeling. Weten wat de volgende stap is, en dan je gedrag en omgeving daar op afstemmen. Telkens weer. Dáár begint het mee. En dáár hoort een ontwikkelomgeving bij die gedragen wordt door vakmensen: door mensen die reflecteren, die van elkaar leren, en zelf ook elke dag groeien. Want laten we eerlijk zijn: we staan elke dag opnieuw aan de voet van een veranderende wereld. In ons vakgebied is niet-leren simpelweg geen optie. Maar wat doen we? We leggen een deken van methodes over dat leerproces. Voor elk vak een eigen methode. De dag wordt opgedeeld in stukjes. Alles netjes op schema, van vakantie tot vakantie.
We geven uitvoering aan het programma van de methodes. Want dat voelt goed. Dan heb je ‘je werk gedaan’. Zelfs burgerschap – een kernonderdeel van mens-zijn – proppen we in een methode en plannen we in een lesuur. Maar zien we het bos nog, door de methode- bomen heen?
Oratie: Naar een opstand van het zittend personeel. Onderwijsverandering als een sociale beweging.
Oratie door prof. dr. Frank Cornelissen (UvA), CAOP-leerstoel Innovatie in het onderwijs. ‘Alleen opstaan vergt moed, samen opstaan vormt een beweging, met z’n allen opstaan creëert de toekomst’
Oratie uitgesproken op 14 februari 2025 door prof. dr. Frank Cornelissen (UvA), CAOP-leerstoel Innovatie in het onderwijs.
‘Alleen opstaan vergt moed, samen opstaan vormt een beweging, met z’n allen opstaan creeert de toekomst’, is de quote waarmee de oratie opent.
De afgelopen decennia komen er steeds meer signalen dat er iets mis is in ons onderwijs. Nederlands onderwijs komt bijvoorbeeld steeds slechter uit de bus in internationaal vergelijkende onderzoeken en er zijn steeds minder mensen die in het onderwijs willen werken. Deze negatieve trends werden al jaren geleden gesignaleerd, maar toch lukt het niet om ze te keren. Er is een sluipende crisis ontstaan, die duidt op een cruciale periode waarin ons oude onderwijssysteem moet worden afgebroken en het nieuwe moet worden opgebouwd.
Cornelissen: “Ooit verbaasde ik me als postdoc -onderzoeker dat de leraren die ik interviewde geen vrije toegang hadden tot onderwijsonderzoek. De oud-leraar in mij was verontwaardigd en kwam in opstand. Ik heb me indertijd hard gemaakt voor deze vrije toegang en gelukkig velen met mij. Ik ben verheugd dat leraren inmiddels gratis toegang hebben gekregen tot wetenschappelijke literatuur. Dit was een eerste principiële stap, maar er is meer nodig. In de afgelopen jaren is al op zoveel plaatsen nuttige kennis over onderwijsverandering ontwikkeld. Deze moet naar de schoolteams toe, zodat de kennis hen kan ondersteunen en inspireren. Ik wil me hiervoor inzetten.”
In deze oratie bespreekt Cornelissen welke veranderingen er in deze periode gaande zijn. Hoe vinden we onze weg naar het nieuwe onderwijssysteem? Hoe komt ons onderwijs eruit te zien? Welke veranderaanpak is er nodig? Hij staat in het bijzonder stil bij de manier waarop we dit proces kunnen versnellen. Dit vraagt om een andere, krachtigere vorm van onderwijsverandering, die begint bij schoolteams en wordt aangedreven door een sociale beweging.
Een zachte landing voor kinderen: over de overgang van KO-PO-VO
Het magazine Basisschoolmanagement.nl sprak LEJK en LEPOVO naar aanleiding van het LEJK/LEPOVO-symposium op 14 november 2024 over de doorgaande lijn.
Carlinda Boerdijk en Cathy van Tuijl
Het magazine Basisschoolmanagement sprak lector Cathy van Tuijl en onderzoeker Carlinda Boerdijk naar aanleiding van het LEJK/LEPOVO-symposium op 14 november 2024:
Hoe zorg je voor een zo goed mogelijke overgang voor kinderen die van de peutergroep naar groep 1 gaan. Of van groep 8 naar de middelbare school? Een zachte landing voor kinderen was het onderwerp van het symposium ‘Overgangen: kwetsbaar of kansrijk?’. Met deelnemers uit de praktijk van onderwijs en opvang werd stilgestaan bij erevaringen rondom deze overgang, de inbedding in doorgaande lijnen en het theoretisch kader hierachter.
In de kennisdeelsessie van Cathy en Carlinda kwam de overgang van kinderopvang naar basisonderwijs aan bod. Bij LEPOVO werd gesproken over de overgang vanaf groep 8.
In het artikel wordt ook gelinkt naar het onderzoek dat het LEJK samen met het Expertisecentrum Kinderopvang uitvoerde over de doorgaande lijn.
Onderzoeksrapport ‘Kansen op een goede start’ in het basisonderwijs en (deelname aan) VVE-programma’s
Sardes en SEO Economisch Onderzoek hebben onderzoek gedaan naar het verbeteren van de kansen van jonge kinderen uit kwetsbare maatschappelijke groepen bij de start in het basisonderwijs. Aanleiding vormen de zorgen over de deelname van doelgroepkinderen aan voorschoolse educatie en basisschool bij 4 jaar en (het risico op) moeilijk inhaalbare onderwijsachterstanden van jonge kinderen. Het onderzoek heeft in kaart gebracht wat de meest kansrijke beleidsmaatregelen voor Nederland zijn, gegeven het huidige voorschoolse en schoolse stelsel.
Sardes en SEO Economisch Onderzoek hebben onderzoek gedaan naar het verbeteren van de kansen van jonge kinderen uit kwetsbare maatschappelijke groepen bij de start in het basisonderwijs. Aanleiding vormen de zorgen over de deelname van doelgroepkinderen aan voorschoolse educatie en basisschool bij 4 jaar en (het risico op) moeilijk inhaalbare onderwijsachterstanden van jonge kinderen. Het onderzoek heeft in kaart gebracht wat de meest kansrijke beleidsmaatregelen voor Nederland zijn, gegeven het huidige voorschoolse en schoolse stelsel.
De hoofdvraag van dit onderzoek luidt: Wat zijn de meest kansrijke beleidsmaatregelen voor Nederland om de onderwijskansen van kinderen met (een risico op) een onderwijsachterstand te vergroten bij de start in het basisonderwijs?
Deze vraag is in drie thema’s uitgewerkt en beantwoord aan de hand van negen deelvragen. In bijgaand document ‘Kansen op een goede start’, het onderzoeksrapport van Sardes en SEO, zijn de antwoorden beknopt en uitgebreid toegelicht.
Op 24 juni 2025 heeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hierop een reactie gestuurd aan de Tweede Kamer. Deze is hier terug te lezen.
Uit de beleidsreactie:
Voor wat betreft het vergroten van de deelname is mijn ambitie om (1) de leerplichtige leeftijd te verlagen van vijf naar vier jaar, rekening houdend met een leeftijdsadequaat aanbod voor vierjarigen. Tegelijkertijd realiseer ik me dat de randvoorwaarden hiertoe (financieel en personeel) nog verdere uitwerking vragen. Die verdiepingsslag ga ik maken.
Daarnaast (2) roep ik gemeenten die dat nog niet doen, op, voorschoolse educatie aan te bieden aan kinderen vanaf 2 jaar, en
(3) moedig ik gemeenten aan zich te blijven inspannen voor het vergroten van het bereik van voorschoolse educatie op een manier die werkt voor de inwoners in hun wijken.
Voor wat betreft het verhogen van de kwaliteit (1) blijf ik scholen die dit het hardst nodig hebben, stimuleren om een hogere beroepskracht-kind ratio in te zetten in de groepen 1 en 2, en (2) beschrijf ik welke inzet dit Kabinet biedt in de ondersteuning van ontwikkelingsstimulering in de thuissituatie.
De brief sluit af:
Een goede start voor elk kind
We hebben het talent van ieder kind nodig. In de praktijk is voor sommige kinderen de kans groter dat zij al bij de start van hun schoolloopbaan een achterstand oplopen. Die kans moeten we koste wat kost zo klein mogelijk maken. Dat is niet zomaar geregeld. Een duurzame verandering lukt bovendien alleen wanneer we met alle betrokkenen de handen ineenslaan. Laten we ons gezamenlijk hard maken om achterstanden vroeg bij de start van het onderwijs weg te werken. We hebben elk kind én elk talent in Nederland even hard nodig.
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Mariëlle Paul
Artikel: Luister hoe kinderen betekenis geven aan hun spel
Spel is een activiteit die in grote mate bijdraagt aan de ontwikkeling van jonge kinderen en daarom in de onderbouw veel tijd en aandacht krijgt. Ook ná de kleutertijd blijft spel een belangrijke ontwikkelingsgerichte activiteit. Juist omdat kinderen zelf de centrale rol vervullen in spelactiviteiten, is het van belang om te achterhalen wat kinderen zelf vinden van spel. Spelen is tenslotte niet alleen een activiteit door en voor kinderen, maar ook ván kinderen.
Anja Tertoolen was tot 1 september 2021 manager kenniscentrum en onderzoeker lectoraat Jonge Kind -Hogeschool IPABO Amsterdam/Alkmaar (tot 1 september 2021). Tevens zat zij tot juni 2025 in het bestuur van LEJK/LEPOVO.
‘Spel is een activiteit die in grote mate bijdraagt aan de ontwikkeling van jonge kinderen en daarom in de onderbouw veel tijd en aandacht krijgt’, schrijft onderzoeker Anja Tertoolen. ‘Ook ná de kleutertijd blijft spel een belangrijke ontwikkelingsgerichte activiteit.’ Juist omdat kinderen zelf de centrale rol vervullen in spelactiviteiten, is het van belang om te achterhalen wat kinderen zelf vinden van spel, stelt Anja met haar medeonderzoekers: ‘Spelen is tenslotte niet alleen een activiteit door en voor kinderen, maar ook ván kinderen.’
Jenaplanners – zeker in de onderbouw – weten dat het observeren van de (spel)activiteiten van kinderen veel aanknopingspunten biedt voor hoe het met het kind gaat en wat het nodig heeft. Let wel op, stellen Anja Tertoolen en haar studenten in deze kleinschalige studie, dat je niet te snel van observeren naar interpreteren gaat. Spreken met kinderen levert je veel kennis over de betekenissen die zij toekennen aan hun spel, over wat ze beter of anders zouden willen en over wat jij zelf aan leer- en ontwikkelingsgerichte verrijking kan aanbieden. Anja Tertoolen schreef dit artikel m.m.v. Roos van Dijk (masterstudent), Sharon Veerman en Nina Wagemaker (lio-studenten) en Annerieke Boland (lector Jonge Kind).