Factsheet resultaten IELS, 2025
Nederlandse kleuters scoren minder dan gemiddeld op belangrijke vaardigheden die nodig zijn om te leren. Dat blijkt uit de International Early Learning and Child Well-being Study (IELS), een internationaal vergelijkend onderzoek naar de kennis en vaardigheden van vijfjarigen.
Kleuters in Nederland kunnen minder goed omgaan met cijfers en blijven achter op het gebied van vaardigheden die leren mogelijk maken, blijkt uit internationaal onderzoek in acht landen. Kinderen aan wie vaak werd voorgelezen, laat het onderzoek ook zien, kunnen beter omgaan met taal en cijfers.
Nederlandse kleuters scoren minder dan gemiddeld op belangrijke vaardigheden die nodig zijn om te leren. Dat blijkt uit de International Early Learning and Child Well-being Study (IELS), een internationaal vergelijkend onderzoek naar de kennis en vaardigheden van vijfjarigen.
Achtergrond IELS
IELS, ‘International Early Learning and Child Well-being Study’, betreft een internationaal vergelijkend onderzoek van de OECD naar de kennis en vaardigheden van vijfjarigen. Ook worden relevante kind- en omgevingskenmerken in kaart gebracht, zoals de sociaal-economische status van het gezin, de thuistaal en de mate waarin leerlingen op jongere leeftijd gebruik hebben gemaakt van de kinderopvang.
In 2018 werd IELS voor het eerst afgenomen in drie landen. In 2025 is IELS voor de tweede keer uitgevoerd en deden er acht landen mee. Nederland deed in 2025 voor het eerst mee. In totaal hebben ruim 2.800 vijfjarigen van 182 verschillende basisscholen aan het onderzoek deelgenomen.
Naast Nederland deden zeven andere landen of delen van landen mee: twee steden in Azerbeidzjan, drie provincies in Brazilië, Engeland, Vlaanderen, Korea, Malta en de Verenigde Arabische Emiraten.
Resultaten IELS
In onderstaande figuur worden de resultaten voor de Nederlandse 5-jarigen weergegeven (rode bolletjes), afgezet tegen de uitkomsten van die van de andere deelnemende landen.
Figuur: In IELS zijn drie hoofddomeinen in beeld gebracht: fundamenteel leren, executieve functies, en sociaal-emotionele ontwikkeling (2025).
Binnen elk wordt naar verschillende aspecten gekeken. Bij ‘fundamenteel leren’ gaat het om beginnende geletterdheid en beginnende gecijferdheid, vaardigheden die belangrijk zijn voor de taal- en rekenontwikkeling. Bij ‘executieve functies’ zijn inhibitie, werkgeheugen en mentale flexibiliteit in kaart gebracht, vaardigheden die leerlingen nodig hebben om hun eigen gedrag en leren te kunnen sturen. ‘Sociaal-emotionele ontwikkeling’ ziet op vijf aspecten te weten: emotionele identificatie en emotionele attributie (samen empathie), vertrouwen (het vermogen om vertrouwensrelaties op te bouwen), non-disruptief gedrag (vermogen om het eigen gedrag zo te reguleren dat anderen niet gestoord worden in hun functioneren) en prosociaal gedrag (vertonen van gedrag dat het welzijn van anderen bevordert).
Nederlandse vijfjarigen scoren op meerdere kernvaardigheden onder gemiddeld
Nederlandse vijfjarigen behalen een score gelijk aan het internationaal gemiddelde voor beginnende geletterdheid, maar scoren onder het internationaal gemiddelde voor beginnende gecijferdheid en verschillende executieve functies en sociaal-emotionele competenties. De score voor vertrouwen ligt boven het internationaal gemiddelde. Het onderzoek geeft beperkt inzicht in wat de oorzaken zijn van deze resultaten.
Verschillen tussen leerlingen zijn klein, maar ook relatief weinig hoge scores bij vijfjarigen in Nederland
De spreiding tussen de 10% laagst en 10% hoogst scorende leerlingen is in Nederland relatief klein. De verschillen tussen leerlingen in andere landen zijn groter. Ook is positief dat de 10% laagst scorende leerlingen in Nederland, gemiddeld hoger scoren, dan de laagst scorende leerlingen in andere landen. Daar staat tegenover dat relatief weinig Nederlandse vijfjaren echt hoge scores behalen. De 10% hoogst scorende vijfjarigen uit Nederland scoren meestal lager dan de hoogst scorende leerlingen in andere landen.
Thuistaal doet ertoe, maar effect kan ook afnemen
Leerlingen die thuis doorgaans Nederlands spreken, behalen een hogere score voor beginnende geletterdheid, beginnende gecijferdheid en werkgeheugen dan leerlingen die thuis doorgaans een andere taal spreken. Het is goed mogelijk dat deze verschillen afnemen, wanneer deze leerlingen thuis een sterke taalbasis hebben ontwikkeld in hun eigen thuistaal of thuistalen. Dat vraagt dan wel om een sterke ‘thuisleeromgeving’ met veel ruimte voor talige interacties.
Voorlezen en opvang helpen leerlingen in het ontwikkelen van hun vaardigheden
Regelmatig voorlezen speelt een duidelijke positieve rol. Vijfjarigen die minimaal vijf keer per week worden voorgelezen, laten sterkere vaardigheden zien in geletterdheid, gecijferdheid én emotieherkenning, dan kinderen die minder vaak worden voorgelezen. Bij activiteiten met digitale devices is dat effect er niet of werkt dit juist negatief. Devices worden door leerlingen uit Nederland veelal gebruikt om een film of serie te kijken.
Leerlingen die op driejarige leeftijd naar de opvang gingen, laten sterkere vaardigheden zien in geletterdheid, gecijferdheid en inhibitie dan leerlingen die nooit naar de opvang gingen. Dit voordeel is er vooral wanneer leerlingen niet overmatig gebruik hebben gemaakt van de opvang.
Vervolgstappen
Op 12 mei wordt het Nederlandse rapport over de Nederlandse resultaten gepubliceerd op de website van het consortium dat het onderzoek in Nederland heeft uitgevoerd (IELS – International Early Learning and Child Well-being Study | Expertisecentrum Nederlands). Op deze dag wordt tevens een symposium op OCW over IELS georganiseerd voor wetenschappers, mensen uit de praktijk, en beleidsmakers om in gesprek te gaan over de resultaten en wat die betekenen voor OCW, voor bestuurders en schoolleiders en voor ouders.
Het rapport wordt in juni met de Kamerbrief over het Masterplan Basisvaardigheden naar de Kamer gestuurd. De belangrijkste hoofdboodschap is dat het leren in groep 1 start en daarom in alle opzichten net zo serieus genomen moet worden als in hogere groepen. Jonge kinderen goed begeleiden in hun leren en ontwikkeling vraagt bovendien specifieke kennis en expertise. In de conceptbrief worden de volgende vervolgstappen genoemd:
“De komende tijd richten we ons daarom op versterking van de kwaliteit van de kleuterperiode door aandacht te vragen voor drie zaken: 1) versterking van een evidence-informed didactiek voor spelend en doelgericht leren in de onderbouw;
2) de verdere professionalisering van leerkrachten op het gebied van het jonge kind; en
3) het faciliteren van kinderenopvang, scholen en gemeenten bij het realiseren van een doorgaande ontwikkellijn van kinderopvang/ vve naar kleuteronderwijs en doorstroom naar groep 3. Dat doen we onder meer door straks peuter-kleutergroepen via een experimenteerbesluit mogelijk te maken.”
Of IELS bij de OECD / Het IELS-rapport over Nederland bij de OECD (PDF)
Advies Kinderopvangraad: Kansen benutten – De betekenis van de buitenschoolse opvang voor kind, ouder en samenleving
De buitenschoolse opvang (bso) kan meer betekenen voor kinderen, ouders en de samenleving dan nu het geval is. In een nieuw advies pleit de Kinderopvangraad voor een bso die meer en meer uitgroeit tot een plek waar kinderen zich breed kunnen ontwikkelen. In het advies onderzoekt de Kinderopvangraad wat daarvoor nodig is. Drie voorwaarden staan centraal: hoge kwaliteit, stevige samenwerking met onderwijs en toegankelijkheid voor alle kinderen.
Maak van de bso nog meer een plek van betekenis
De buitenschoolse opvang (bso) kan meer betekenen voor kinderen, ouders en de samenleving dan nu het geval is. In een nieuw advies pleit de Kinderopvangraad voor een bso die meer en meer uitgroeit tot een plek waar kinderen zich breed kunnen ontwikkelen.
In het advies onderzoekt de Kinderopvangraad wat daarvoor nodig is. Drie voorwaarden staan centraal: hoge kwaliteit, stevige samenwerking met onderwijs en toegankelijkheid voor alle kinderen.
Eerste resultaten onderzoek samenhang beleid rond onderwijs en kinderopvang
Gemeenten hebben diverse taken en vraagstukken als het gaat om de jeugd. Hoe de beleidsterreinen kinderopvang, onderwijsachterstanden en voor- en vroegschoolse educatie (vve) daarin een plek krijgen, verschilt per gemeente. Om hier meer zicht op te krijgen heeft de Inspectie van het Onderwijs een onderzoek gedaan.
Gemeenten hebben diverse taken en vraagstukken als het gaat om de jeugd. Hoe de beleidsterreinen kinderopvang, onderwijsachterstanden en voor- en vroegschoolse educatie (vve) daarin een plek krijgen, verschilt per gemeente. Om hier meer zicht op te krijgen heeft de Inspectie van het Onderwijs een onderzoek gedaan.
Inspectie: Samenhang in gemeentelijk beleid voor jonge kinderen kan sterker
Gemeenten hebben een belangrijke rol bij het vergroten van gelijke kansen voor jonge kinderen. Zij voeren beleid voor onderwijsachterstanden (OAB), voor- en vroegschoolse educatie (vve) en kinderopvang. De Inspectie van het Onderwijs onderzocht hoe gemeenten deze beleidsterreinen met elkaar verbinden in hun beleidsdocumenten.
Gemeenten hebben een belangrijke rol bij het vergroten van gelijke kansen voor jonge kinderen. Zij voeren beleid voor onderwijsachterstanden (OAB), voor- en vroegschoolse educatie (vve) en kinderopvang. De Inspectie van het Onderwijs onderzocht hoe gemeenten deze beleidsterreinen met elkaar verbinden in hun beleidsdocumenten.
Winnicott: Kind, gezin en buitenwereld
D. W. Winnicott behoort tot de meest invloedrijke figuren in de kinderpsychiatrie. In dit baanbrekende werk presenteert hij zijn revolutionaire theorieën over de ontwikkeling van het kind en de manier waarop kinderen geleidelijk loskomen van hun ouders. Hij vertrekt vanuit de fundamentele relatie tussen ouder en kind, die hij beschouwt als de basis voor een gezonde persoonlijkheidsontwikkeling.
Gelezen in NRC: “De inzichten van deze kinderarts over opvoeding zijn nog steeds onmisbaar”
‘Eindelijk is een vertaling verschenen van een van de belangrijkste Britse psychoanalytici. De ideeën van Donald W. Winnicott over de groei en ontwikkeling van kinderen – van zuigelingen tot adolescenten – zijn nog steeds van grote waarde.’ - NRC
Lees de recensie bij NRC (mogelijk betaalmuur)
Of lees verder bij de uitgever
Donald W. Winnicott: Kind, gezin en buitenwereld. (The Child, the Family and the Outside World) Vert. Kasper Demeulemeester. Borgerhoff & Lamberigts, 275 blz.
Leidraad Leerkracht-leerlingrelaties in het primair onderwijs (NKO)
Onderwijskennis van het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) deelt de leidraad ondersteunt leerkrachten en andere professionals in het primair onderwijs bij het opbouwen van positieve relaties met leerlingen.
Onderwijskennis van het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) deelt de leidraad ondersteunt leerkrachten en andere professionals in het primair onderwijs bij het opbouwen van positieve relaties met leerlingen.
Probleemoplossingsinteracties van jonge kinderen. Gesprekken tijdens groepswerk in de onderbouw van de basisschool. Proefschrift
Dr. Frans Hiddink is associate lector en docent op de (academische) pabo van NHL Stenden. In 2019 rondde hij zijn promotieonderzoek bij kleuters af: ‘Probleemoplossingsinteracties van jonge kinderen. Gesprekken tijdens groepswerk in de onderbouw van de basisschool.’
Dr. Frans Hiddink is associate lector Meertaligheid & Geletterdheid en tevens docent op de (academische) pabo van NHL Stenden. In 2019 rondde hij zijn promotieonderzoek bij kleuters af: ‘Early childhood problem-solving interaction. Young children’s discourse during small-group work in primary school.’ (In de samenvatting vertaald naar ‘Probleemoplossingsinteracties van jonge kinderen. Gesprekken tijdens groepswerk in de onderbouw van de basisschool.’)
In dit proefschrift wordt verslag gedaan van een onderzoek naar probleemoplossingsinteracties in groep 1-3 van het Nederlandse basisonderwijs. Binnen dit onderzoek staan de interacties centraal die jonge kinderen onderling of met de leerkracht hebben tijdens groepswerk.
Frans’ publicaties hebben vooral betrekking op profijtelijke manieren waarop (jonge kinderen) in kleine groepjes overleggen en kennis opbouwen en hoe leerkrachten dit optimaal kunnen begeleiden. Op 27 november 2025 gaf hij een heel enthouiaste presentatie bij het Kennisnetwerk van het LEJK en we gaan zeker vaker van Frans horen.
Proefschrift lezen? Ga naar:
Hiddink, F. C. (2019). Early childhood problem-solving interaction: young children’s discourse during small-group work in primary school. [Thesis fully internal (DIV), University of Groningen]. University of Groningen. https://doi.org/10.33612/diss.101127371
Masterplan Basisvaardigheden: webinar
Op de website van Masterplan Basisvaardigheden vind je een online masterclass ‘Spel bij de taalontwikkeling van het jonge kind’ met o.a. lector Annerieke Boland. Bekijk het webinar terug.
Op de website van Masterplan Basisvaardigheden vind je een online masterclass ‘Spel bij de taalontwikkeling van het jonge kind’ met o.a. lector Annerieke Boland. Annerieke vertelt over haar onderzoek en toont een voorbeeld van taal in de klas. Daarbij komt Tineke van der Bent, leerkracht in groep 1 en 2 en ambulant begeleider, aan het woord vanuit de dagelijkse praktijk.
Bekijk hier het webinar terug.
Annerieke verwijst naar de website Taal in Spel.
Eindrapport EVENING Onderzoek
Lees hier de laatste conclusies en het eindrapport van het EVENING-onderzoek, uitgevoerd vanuit de Universiteit Utrecht.
Sinds 2020 heeft de overheid maatregelen getroffen om de kwaliteit van de voorschoolse educatie te verbeteren en het aantal uren hiervan uit te breiden. Het multidisciplinaire onderzoek EVENING evalueert of de beoogde doelen van de hervormingen, namelijk het creëren van meer gelijke kansen, worden bereikt. Resultaten zijn hoopgevend: kinderen laten vooruitgang zien op sociaalemotionele ontwikkeling, taal, executieve functies en motoriek.
Het EVENING onderzoek evalueert twee landelijke beleidsmaatregelen in de voorschoolse educatie:
Sinds 1 augustus 2020 zijn gemeenten verplicht om kinderen met een VVE-indicatie 960 uur voorschoolse educatie te bieden tussen de leeftijd van 2,5 en 4 jaar. In de praktijk komt dit vaak neer op 16 uur per week tijdens de schoolweken. Dit is een toename van 60 procent: voor augustus 2020 was een aanbod van 600 uur (10 uur per week) verplicht.
Sinds 1 januari 2022 geldt een landelijke norm voor de inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers in de voorschoolse educatie. De norm betreft een minimum aantal uren per jaar, dat bepaald wordt door het aantal doelgroeppeuters per kindcentrum te vermenigvuldigen met 10.
Het onderzoeksprogramma deelt een update in september 2025; ‘Uitbreiding voorschoolse educatie succesvol: brede ontwikkelingswinst bij kinderen’. Lees het hele bericht op de website van de Universiteit Utrecht.
De resultaten van het EVENING project tonen aan dat de twee beleidsmaatregelen de ontwikkeling van doelgroeppeuters positief hebben beïnvloed en daarmee de kansengelijkheid hebben vergroot. De bevindingen laten zien dat de uitbreiding van het aantal uren voorschoolse educatie en de versterking van de kwaliteit door inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers effectieve beleidsmaatregelen zijn.
EVENING staat voor Effectstudie Voorschoolse Educatie: een natuurlijk experiment in Nederlandse gemeenten. Het woord ‘evening’ (een vorm van “to even”) verwijst naar het belangrijke doel van voorschoolse educatie: het vergroten van kansengelijkheid. Het onderzoek is in april 2019 gestart en loopt tot en met 2026. Het maakt deel uit van een breed monitorings- en beleidsevaluatieprogramma opgesteld door het ministerie van OCW en wordt uitgevoerd door een multidisciplinair onderzoeksteam van de Universiteit Utrecht en Sardes.
Mijmering - Column KinderopvangKennis.nl
Mijmering: column van Jeannette de Jong, Bestuurder bij Blosse & Bestuurslid Vereniging Netwerk Kindcentra & LEJK
De belangrijkste reden waarom ik mijn werk doe, is het kind. Het kind is de essentie van de toekomst. Het kind is geen project, geen resultaat, geen data-punt. Maar wat doen wij volwassenen? Wij bouwen muren. Muren tussen systemen, tussen mensen.
Jeannette de Jong, Bestuurder bij Blosse & Bestuurslid Vereniging Netwerk Kindcentra & LEJK
Column gepubliceerd bij KinderopvangKennis.nl
De belangrijkste reden waarom ik mijn werk doe, is het kind. Het kind is de essentie van de toekomst. Het kind is geen project, geen resultaat, geen data-punt. Maar wat doen wij volwassenen? Wij bouwen muren. Muren tussen systemen, tussen mensen.
Binnen onze organisatie ‘ontwikkelen’ wij geen kinderen – nee, we inspireren hen om zich breed te ontwikkelen. Breed, à la pedagoog Gert Biesta, op hun eigen tempo, op hún manier. Dat is niet altijd makkelijk. Sterker nog, het is vaak ingewikkeld door hoe ons systeem in elkaar zit. We zitten vast in knellende verknipte structuren en hardnekkige weeffouten. Tegelijkertijd zijn wij zélf het systeem. En niemand anders. Wat doen we niet goed?
We focussen te weinig op de brede ontwikkeling van het kind. De basis. We bouwen verknipte, versplinterde organisaties om het kind heen, in plaats van voor het kind.
We zijn er nog steeds niet voor alle kinderen. Sommige kinderen sluiten we uit. We zijn niet inclusief.
De basis kwijt
De basis is eigenlijk simpel: telkens opnieuw kijken wáár een kind staat in zijn brede ontwikkeling. Weten wat de volgende stap is, en dan je gedrag en omgeving daar op afstemmen. Telkens weer. Dáár begint het mee. En dáár hoort een ontwikkelomgeving bij die gedragen wordt door vakmensen: door mensen die reflecteren, die van elkaar leren, en zelf ook elke dag groeien. Want laten we eerlijk zijn: we staan elke dag opnieuw aan de voet van een veranderende wereld. In ons vakgebied is niet-leren simpelweg geen optie. Maar wat doen we? We leggen een deken van methodes over dat leerproces. Voor elk vak een eigen methode. De dag wordt opgedeeld in stukjes. Alles netjes op schema, van vakantie tot vakantie.
We geven uitvoering aan het programma van de methodes. Want dat voelt goed. Dan heb je ‘je werk gedaan’. Zelfs burgerschap – een kernonderdeel van mens-zijn – proppen we in een methode en plannen we in een lesuur. Maar zien we het bos nog, door de methode- bomen heen?
Oratie: Naar een opstand van het zittend personeel. Onderwijsverandering als een sociale beweging.
Oratie door prof. dr. Frank Cornelissen (UvA), CAOP-leerstoel Innovatie in het onderwijs. ‘Alleen opstaan vergt moed, samen opstaan vormt een beweging, met z’n allen opstaan creëert de toekomst’
Oratie uitgesproken op 14 februari 2025 door prof. dr. Frank Cornelissen (UvA), CAOP-leerstoel Innovatie in het onderwijs.
‘Alleen opstaan vergt moed, samen opstaan vormt een beweging, met z’n allen opstaan creeert de toekomst’, is de quote waarmee de oratie opent.
De afgelopen decennia komen er steeds meer signalen dat er iets mis is in ons onderwijs. Nederlands onderwijs komt bijvoorbeeld steeds slechter uit de bus in internationaal vergelijkende onderzoeken en er zijn steeds minder mensen die in het onderwijs willen werken. Deze negatieve trends werden al jaren geleden gesignaleerd, maar toch lukt het niet om ze te keren. Er is een sluipende crisis ontstaan, die duidt op een cruciale periode waarin ons oude onderwijssysteem moet worden afgebroken en het nieuwe moet worden opgebouwd.
Cornelissen: “Ooit verbaasde ik me als postdoc -onderzoeker dat de leraren die ik interviewde geen vrije toegang hadden tot onderwijsonderzoek. De oud-leraar in mij was verontwaardigd en kwam in opstand. Ik heb me indertijd hard gemaakt voor deze vrije toegang en gelukkig velen met mij. Ik ben verheugd dat leraren inmiddels gratis toegang hebben gekregen tot wetenschappelijke literatuur. Dit was een eerste principiële stap, maar er is meer nodig. In de afgelopen jaren is al op zoveel plaatsen nuttige kennis over onderwijsverandering ontwikkeld. Deze moet naar de schoolteams toe, zodat de kennis hen kan ondersteunen en inspireren. Ik wil me hiervoor inzetten.”
In deze oratie bespreekt Cornelissen welke veranderingen er in deze periode gaande zijn. Hoe vinden we onze weg naar het nieuwe onderwijssysteem? Hoe komt ons onderwijs eruit te zien? Welke veranderaanpak is er nodig? Hij staat in het bijzonder stil bij de manier waarop we dit proces kunnen versnellen. Dit vraagt om een andere, krachtigere vorm van onderwijsverandering, die begint bij schoolteams en wordt aangedreven door een sociale beweging.
Een zachte landing voor kinderen: over de overgang van KO-PO-VO
Het magazine Basisschoolmanagement.nl sprak LEJK en LEPOVO naar aanleiding van het LEJK/LEPOVO-symposium op 14 november 2024 over de doorgaande lijn.
Carlinda Boerdijk en Cathy van Tuijl
Het magazine Basisschoolmanagement sprak lector Cathy van Tuijl en onderzoeker Carlinda Boerdijk naar aanleiding van het LEJK/LEPOVO-symposium op 14 november 2024:
Hoe zorg je voor een zo goed mogelijke overgang voor kinderen die van de peutergroep naar groep 1 gaan. Of van groep 8 naar de middelbare school? Een zachte landing voor kinderen was het onderwerp van het symposium ‘Overgangen: kwetsbaar of kansrijk?’. Met deelnemers uit de praktijk van onderwijs en opvang werd stilgestaan bij erevaringen rondom deze overgang, de inbedding in doorgaande lijnen en het theoretisch kader hierachter.
In de kennisdeelsessie van Cathy en Carlinda kwam de overgang van kinderopvang naar basisonderwijs aan bod. Bij LEPOVO werd gesproken over de overgang vanaf groep 8.
In het artikel wordt ook gelinkt naar het onderzoek dat het LEJK samen met het Expertisecentrum Kinderopvang uitvoerde over de doorgaande lijn.
Onderzoeksrapport ‘Kansen op een goede start’ in het basisonderwijs en (deelname aan) VVE-programma’s
Sardes en SEO Economisch Onderzoek hebben onderzoek gedaan naar het verbeteren van de kansen van jonge kinderen uit kwetsbare maatschappelijke groepen bij de start in het basisonderwijs. Aanleiding vormen de zorgen over de deelname van doelgroepkinderen aan voorschoolse educatie en basisschool bij 4 jaar en (het risico op) moeilijk inhaalbare onderwijsachterstanden van jonge kinderen. Het onderzoek heeft in kaart gebracht wat de meest kansrijke beleidsmaatregelen voor Nederland zijn, gegeven het huidige voorschoolse en schoolse stelsel.
Sardes en SEO Economisch Onderzoek hebben onderzoek gedaan naar het verbeteren van de kansen van jonge kinderen uit kwetsbare maatschappelijke groepen bij de start in het basisonderwijs. Aanleiding vormen de zorgen over de deelname van doelgroepkinderen aan voorschoolse educatie en basisschool bij 4 jaar en (het risico op) moeilijk inhaalbare onderwijsachterstanden van jonge kinderen. Het onderzoek heeft in kaart gebracht wat de meest kansrijke beleidsmaatregelen voor Nederland zijn, gegeven het huidige voorschoolse en schoolse stelsel.
De hoofdvraag van dit onderzoek luidt: Wat zijn de meest kansrijke beleidsmaatregelen voor Nederland om de onderwijskansen van kinderen met (een risico op) een onderwijsachterstand te vergroten bij de start in het basisonderwijs?
Deze vraag is in drie thema’s uitgewerkt en beantwoord aan de hand van negen deelvragen. In bijgaand document ‘Kansen op een goede start’, het onderzoeksrapport van Sardes en SEO, zijn de antwoorden beknopt en uitgebreid toegelicht.
Op 24 juni 2025 heeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hierop een reactie gestuurd aan de Tweede Kamer. Deze is hier terug te lezen.
Uit de beleidsreactie:
Voor wat betreft het vergroten van de deelname is mijn ambitie om (1) de leerplichtige leeftijd te verlagen van vijf naar vier jaar, rekening houdend met een leeftijdsadequaat aanbod voor vierjarigen. Tegelijkertijd realiseer ik me dat de randvoorwaarden hiertoe (financieel en personeel) nog verdere uitwerking vragen. Die verdiepingsslag ga ik maken.
Daarnaast (2) roep ik gemeenten die dat nog niet doen, op, voorschoolse educatie aan te bieden aan kinderen vanaf 2 jaar, en
(3) moedig ik gemeenten aan zich te blijven inspannen voor het vergroten van het bereik van voorschoolse educatie op een manier die werkt voor de inwoners in hun wijken.
Voor wat betreft het verhogen van de kwaliteit (1) blijf ik scholen die dit het hardst nodig hebben, stimuleren om een hogere beroepskracht-kind ratio in te zetten in de groepen 1 en 2, en (2) beschrijf ik welke inzet dit Kabinet biedt in de ondersteuning van ontwikkelingsstimulering in de thuissituatie.
De brief sluit af:
Een goede start voor elk kind
We hebben het talent van ieder kind nodig. In de praktijk is voor sommige kinderen de kans groter dat zij al bij de start van hun schoolloopbaan een achterstand oplopen. Die kans moeten we koste wat kost zo klein mogelijk maken. Dat is niet zomaar geregeld. Een duurzame verandering lukt bovendien alleen wanneer we met alle betrokkenen de handen ineenslaan. Laten we ons gezamenlijk hard maken om achterstanden vroeg bij de start van het onderwijs weg te werken. We hebben elk kind én elk talent in Nederland even hard nodig.
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Mariëlle Paul
Artikel: Luister hoe kinderen betekenis geven aan hun spel
Spel is een activiteit die in grote mate bijdraagt aan de ontwikkeling van jonge kinderen en daarom in de onderbouw veel tijd en aandacht krijgt. Ook ná de kleutertijd blijft spel een belangrijke ontwikkelingsgerichte activiteit. Juist omdat kinderen zelf de centrale rol vervullen in spelactiviteiten, is het van belang om te achterhalen wat kinderen zelf vinden van spel. Spelen is tenslotte niet alleen een activiteit door en voor kinderen, maar ook ván kinderen.
Anja Tertoolen was tot 1 september 2021 manager kenniscentrum en onderzoeker lectoraat Jonge Kind -Hogeschool IPABO Amsterdam/Alkmaar (tot 1 september 2021). Tevens zat zij tot juni 2025 in het bestuur van LEJK/LEPOVO.
‘Spel is een activiteit die in grote mate bijdraagt aan de ontwikkeling van jonge kinderen en daarom in de onderbouw veel tijd en aandacht krijgt’, schrijft onderzoeker Anja Tertoolen. ‘Ook ná de kleutertijd blijft spel een belangrijke ontwikkelingsgerichte activiteit.’ Juist omdat kinderen zelf de centrale rol vervullen in spelactiviteiten, is het van belang om te achterhalen wat kinderen zelf vinden van spel, stelt Anja met haar medeonderzoekers: ‘Spelen is tenslotte niet alleen een activiteit door en voor kinderen, maar ook ván kinderen.’
Jenaplanners – zeker in de onderbouw – weten dat het observeren van de (spel)activiteiten van kinderen veel aanknopingspunten biedt voor hoe het met het kind gaat en wat het nodig heeft. Let wel op, stellen Anja Tertoolen en haar studenten in deze kleinschalige studie, dat je niet te snel van observeren naar interpreteren gaat. Spreken met kinderen levert je veel kennis over de betekenissen die zij toekennen aan hun spel, over wat ze beter of anders zouden willen en over wat jij zelf aan leer- en ontwikkelingsgerichte verrijking kan aanbieden. Anja Tertoolen schreef dit artikel m.m.v. Roos van Dijk (masterstudent), Sharon Veerman en Nina Wagemaker (lio-studenten) en Annerieke Boland (lector Jonge Kind).
Duidelijk advies voor opvoeders: wacht met schermgebruik tot 2 jaar
‘Richtlijnen gezond en verantwoord scherm- en sociale mediagebruik’ van de Rijksoverheid verschenen op 17 juni 2025
‘Richtlijnen gezond en verantwoord scherm- en sociale mediagebruik’ van de Rijksoverheid verschenen
Intensief scherm- en sociale mediagebruik kunnen slecht zijn voor de (mentale) gezondheid en ontwikkeling van kinderen. Denk hierbij aan slaapproblemen, paniekaanvallen, depressieve klachten, verminderde concentratie en een negatief zelfbeeld. Staatssecretaris Vincent Karremans (Jeugd, Preventie en Sport) presenteerde op 17 juni 2025 de ‘Richtlijnen gezond en verantwoord scherm- en sociale mediagebruik’. De richtlijnen, op basis van het onderzoek van wetenschappers, experts en maatschappelijke organisaties, moet ouders en opvoeders houvast bieden bij de mediaopvoeding van hun kinderen.
Gezond schermgebruik
De richtlijn bevat naast tips voor ouders over het gesprek voeren met je kind ook aanbevelingen voor een maximale schermtijd per leeftijdscategorie. Voor kinderen onder de 2 jaar wordt schermgebruik afgeraden, terwijl het advies voor jongeren van 12 jaar en ouder is om niet meer dan 3 uur per dag achter een scherm door te brengen. Daarnaast benadrukt de richtlijn dat gezond schermgebruik meer is dan het beperken van tijd. Het gaat ook om de balans tussen schermtijd en andere activiteiten, samen media gebruiken, en het bevorderen van positieve online ervaringen. Vanuit gezondheidsperspectief adviseert de staatssecretaris een adviesleeftijd voor de eerste smartphone vanaf groep 8. Het is aan opvoeders om bijvoorbeeld vanuit educatieve of andere overwegingen al eerder met hun kinderen te gaan oefenen met smartphonegebruik.
Advies voor balans en structuur
Stimuleer je kind om naast schermactiviteiten ook actief bezig te zijn met spel, beweging en andere schermvrije bezigheden. Specifiek advies is: gebruik van de 20-20-2 regel die adviseert om na 20 min schermtijd minstens 20 seconden in de verte te kijken en daarnaast 2 uur per dag buiten te zijn.
Maak samen afspraken over:
• Waar en wanneer schermgebruik mag.
Het advies is geen schermen tijdens het eten en in de slaapkamer.
• Hoeveel tijd je kind achter een scherm doorbrengt.
Het advies voor schermtijd is:
0 – 2 jaar: geen scherm
2 – 4 jaar: maximaal 30 minuten per dag
4 – 8 jaar: maximaal 1 uur per dag
8 – 10 jaar: maximaal 1,5 uur per dag
10 – 12 jaar: maximaal 2 uur per dag
12 jaar en ouder: maximaal 3 uur per dag
• Welke tv programma’s, apps en games toegestaan zijn. Het advies is:
Kies rustige, geweldvrije media
Geen media met ‘te snel afwisselende’
Geen sociale media voor kinderen <13 jaar.
Volg leeftijdsadviezen voor films, programma’s en games:
Kijkwijzer helpt je bij het kiezen van geschikte programma’s en films, en voor games kun je terecht bij Gamewijzer.
Gebruik internet filters of “parental controls” om te voorkomen dat uw kind via websites in aanraking komt met ongeschikte filmpjes of spelletjes.
Duidelijke leeftijdsnormen sociale media
De richtlijn maakt een duidelijk verschil tussen twee soorten apps: chatapps zoals WhatsApp en Signal, en sociale media zoals Instagram en TikTok. Het advies is om kinderen pas op de middelbare school te laten starten met chatapps. Uit onderzoek blijkt namelijk dat ze in die eerste jaren nog goed te begeleiden zijn door ouders. Een stapsgewijze opbouw helpt: eerst leren communiceren via chat, daarna pas kennismaken met sociale media.
Om een duidelijke norm te stellen, wordt er een minimumleeftijd van 15 jaar geadviseerd voor sociale mediaplatforms zoals Instagram en TikTok. Deze leeftijdsgrens sluit ook aan bij de leeftijdsgrens die andere landen hebben ingesteld als advies.
Podcast Expertisecentrum Kinderopvang: Toenemende complexiteit in de doorgaande lijn
Cathy van Tuijl werkte mee aan deze aflevering van de podcastserie van het Expertisecentrum Kinderopvang. Thema: de doorgaande lijn.
Het Expertisecentrum Kinderopvang biedt een eigen podcastserie aan: Pedagogiek in de kinderopvang. Dit is de educatieve, maar vooral inspirerende podcast voor iedereen die werkzaam is in de kinderopvang of geïnteresseerd is in het vak. Elke maand bespreekt Elisa Somsen met een wetenschapper en een collega uit het vak een onderwerp uit de kinderopvang. Samen vertalen we de laatste wetenschappelijke inzichten over pedagogiek naar praktische tips, zodat jij als pedagogisch professional een bijdrage kan leveren aan de pedagogische kwaliteit van de kinderopvang.
Deze maand: Cathy van Tuijl over de doorgaande lijn. De overgang van het kinderdagverblijf naar de basisschool – met het wennen en starten – is iets anders dan het bredere concept van een doorgaande lijn in de ontwikkeling. Voor een doorgaande lijn zijn formele afspraken, relaties tussen professionals en inhoudelijke afstemming nodig. Hoe zorg je voor een écht doorgaande lijn in de ontwikkeling van jonge kinderen? In deze aflevering gaan de gesprekspartners dieper in de complexe overgangen binnen en tussen kinderopvang en onderwijs. Van de peutergroep naar school, maar ook binnen de BSO en verticale groepen. Host Elisa gaat in gesprek met Cathy van Tuijl (lector en universitair docent pedagogiek).
Luister hier naar deze nieuwe aflevering van de serie Pedagogiek in de kinderopvang en krijg heldere inzichten én praktische tips:
Luister ook aflevering 5 terug voor praktische tips over de doorgaande lijn. Deze doorgaande lijn geldt niet alleen voor de overgang van de peutergroep naar de kleutergroep, maar ook bijvoorbeeld binnen de BSO en in verticale groepen. Ook in deze groepen is een ononderbroken ontwikkellijn voor het kind en daarmee een toenemende complexiteit van het aanbod van belang.
Cathy van Tuijl gaf als leestip ook mee: Artikel in Kiddo over de doorgaande lijn: KIDDO nr. 1 (2025).
GOAB-handreiking ‘Wat draagt bij aankwaliteit en effectiviteit van vve?’, een overzicht van bevindingen uit recente literatuur
Op onze leestafel: GOAB-handreiking ‘Wat draagt bij aankwaliteit en effectiviteit van vve?’, een overzicht van bevindingen uit recente literatuur
Deze handreiking is een uitgave van het GOAB-Ondersteuningstraject voor gemeenten en aanbieders van Voorschoolse Educatie uitgevoerd door Oberon, Sardes, de CED-Groep en de brancheorganisaties SWN, BMK en BK in opdracht van het ministerie van OCW. De informatie in deze handreiking is gebaseerd op de stand van zaken in januari 2025. Aan deze handreiking kunnen geen rechten worden ontleend. De informatie in deze handreiking mag onder bronvermelding worden overgedragen, openbaar gemaakt, bewerkt of verspreid.
Een zachte landing voor kleuters: Doorgaande lijn, Kinderopvangtotaal
Het magazine Kinderopvangtotaal.nl sprak lector Cathy van Tuijl en onderzoeker Carlinda Boerdijk naar aanleiding van het LEJK/LEPOVO-symposium op 14 november 2024 over de doorgaande lijn.
Carlinda Boerdijk en Cathy van Tuijl
Het magazine Kinderopvangtotaal.nl sprak lector Cathy van Tuijl en onderzoeker Carlinda Boerdijk naar aanleiding van het LEJK/LEPOVO-symposium op 14 november 2024:
Hoe zorg je ervoor dat peuters zo soepel mogelijk overgaan naar de basisschool? Dat was een van de onderwerpen op het symposium Overgangen: kwetsbaar of kansrijk? Deelnemers vertelden over hun ervaringen en leerden meer over de doorgaande leerlijn en het theoretisch kader hierachter.
In het artikel wordt ook gelinkt naar het onderzoek dat het LEJK samen met het Expertisecentrum Kinderopvang uitvoerde over de doorgaande lijn.
De doorgaande lijn van peuter naar kleuter
Cathy van Tuijl schreef het artikel De doorgaande lijn van peuter naar kleuter in Kiddo 1-2025.
Cathy van Tuijl schreef mee aan Kiddo in het artikel ‘De doorgaande lijn van peuter naar kleuter.’ Kinderen zijn gebaat bij continuïteit van hun ervaringen in verschillende contexten. Dat geldt ook voor peuters die vanuit de kinderopvang uiteindelijk naar de basisschool gaan. Wat is er nodig om die continuïteit te bevorderen?
Elk jaar beginnen ongeveer 150.000 kinderen op de basisschool. Het merendeel heeft daarvoor een vorm van opvang doorlopen. Voor veel kinderen (en hun ouders) is de eerste schooldag best spannend. Een nieuwe groep, een nieuwe leerkracht, soms een andere locatie en een veel grotere groep dan in de kinderopvang. Andere regels en routines, een totaal ander dagritme. Gelukkig wennen de meeste kinderen binnen enkele weken aan die nieuwe omgeving, maar voor 15-20% van de kinderen is die overstap lastiger. Wat kunnen kinderopvangorganisaties en basisscholen doen om deze overgang te vergemakkelijken? We staan stil bij drie niveaus om een doorgaande lijn van kinderopvang naar basisschool te bevorderen.
Belang en betekenis doorgaande lijn
Vooraf is het goed om het wezenlijke belang in te zien van een goede overgang van kinderopvang naar basisschool. Een goed begin op de basisschool draagt onder andere bij aan een positief gevoel van eigenwaarde en positieve gevoelens over school, zowel bij de kinderen als hun ouders. Op de langere termijn is dit gunstig voor de sociale relaties en het leren van kinderen. Het is voor de verdere schoolloopbaan van kinderen dus belangrijk dat die overgang soepel verloopt.
De term doorgaande lijn omvat wel wat meer dan alleen het moment van de overgang. De doorgaande lijn verwijst naar een vloeiende overgang van de peuter- naar de kleutergroep met een aanpak die met het kind mee-evolueert, hetgeen vereist dat pedagogisch medewerkers en leerkrachten tenminste op de hoogte zijn van elkaars aanpak. Met de komst van Integrale Kindcentra (IKC’s) zijn al belangrijke stappen gezet. Zeker voor locaties waar kinderopvang en basisschool zijn samengebracht is het makkelijker elkaar te vinden, kennis te nemen van elkaars werkwijze en informatie uit te wisselen. Een gezamenlijke locatie is evenwel geen garantie dat er wordt samengewerkt. In feite vraagt samenwerking gericht op een soepele overgang om stappen op drie niveaus (Van Druten & Van Langen 2021):
• formele afspraken op het niveau van directies, eventueel ook met de gemeente
• elkaar ontmoeten en kennen (relationeel niveau)
• inhoudelijke afstemming
Dit artikel is te vinden in Kiddo 1-2025, te koop voor €3,95.